DE ARABISCHE STERRENWICHELAAR.

Aben Habuz, Koning van Granada, mocht zeker wel aanspraak maken op een

rustigen ouden dag. Maar de jonge en strijdlustige vorsten, wier landen

aan zijn gebied grensden, waren niet van plan hem de verschrikkingen

van den oorlog te besparen; en ofschoon hij alle mogelijke voorzorgen

nam, opdat zijn rijk gevrijwaard zou zijn tegen de invallen dezer

heethoofden, vervulde de voortdurende bedreiging van een aanval van

één hunner, en de telkens terugkeerende binnenlandsche woelingen,

zijn ouden dag met angst en ergernis.

Gekweld en verontrust, zocht hij een raadsman, die hem zou

kunnen helpen zijn positie te versterken. Maar onder de wijzen

en edelen aan zijn Hof ontmoette hij zulk een grove zelfzucht en

gebrek aan vaderlandsliefde, dat hij er niet toe besluiten kon,

één hunner zijn vertrouwen te schenken en hem in te wijden in zijne

staatszaken. Terwijl hij zijn vereenzaamd bestaan overdacht, kwam men

tot hem met de mededeeling, dat een Arabisch geleerde in Granada was

aangekomen, wiens groote wijsheid en scherp verstand in het geheele

Oosten spreekwoordelijk was. De naam van dezen geleerden Brahmaan was

Ibrahim Elben Abu Ajib, en er werd gefluisterd, dat hij geboren was in

den tijd van Mohammed, en de zoon was van een van diens persoonlijke

vrienden. In zijne kinderjaren had hij het leger van Amru, den generaal

van den Profeet, op zijn veldtocht naar Egypte begeleid, en hij was

gedurende eenige eeuwen in dat land gebleven, waar hij zijn tijd

had gebruikt voor de studie van die verborgen wetenschappen, waarin

de Egyptische priesters zoo doorkneed waren. Niettegenstaande zijn

hoogen ouderdom (hij zag er inderdaad zeer eerwaardig uit), had hij

den langen weg van Egypte te voet afgelegd, steunende op zijn staf,

waarin allerlei geheimzinnige teekens gegrift waren. Zijn baard reikte

tot aan zijn gordel, zijne doordringende oogen verraadden een bijna

bovenmenschelijk verstand en inzicht, en zijn houding was waardiger en

vorstelijker dan van den meest verheven Mullah in Granada. Men vertelde

van hem, dat hij het geheim bezat van het levenselixir, maar daar hij

dit slechts op lateren leeftijd verkregen had, moest hij erin berusten,

dat hij het uiterlijk van een grijsaard had, ofschoon hij er reeds in

geslaagd was, zijn bestaan te verlengen tot meer dan tweehonderd jaren.

Het verheugde Koning Aben Habuz zeer, in de gelegenheid te zijn, zulk

een beroemd man gastvrijheid te verleenen, en dus behandelde hij hem

met buitengewone onderscheiding, maar de geleerde Arabier was afkeerig

van elken vorm van weelde, en hij installeerde zich in een grot van

den heuvel, waarop later het beroemde Alhambra gebouwd werd. Hij

liet deze grot zoodanig veranderen, dat zij geleek op het inwendige

van de hooge tempels van het Egyptische rijk, waar hij zoovele jaren

van zijn lang leven had doorgebracht. Door de natuurlijke rots, die

het dak vormde, liet hij door den hofarchitect een lange buis slaan,

zoodat hij vanuit zijn duistere verblijfplaats zelfs midden op den

dag den loop der sterren zou kunnen volgen. Want Ibrahim was doorkneed

in de studie van de wetenschap der hemellichamen, die driewerf edele

kunst der sterrenwichelarij, die door de geleerden van alle eeuwen

erkend wordt als de ware bron van alle goddelijke wijsheid, en die

door de oppervlakkige waanwijzen van een lateren tijd veronachtzaamd

is geworden. Maar slechts voor een enkelen dag in de eeuwigheid zal

dit wondere en gouden boek op zij gelegd worden; nooit zullen zijne

bladzijden, beschreven met geheimzinnige en duistere letters, geheel

voor den mensch gesloten worden. De vreemde, kronkelende letters

van de taal der wijzen, en de even geheimzinnige symbolen van het

oude Egypte, versierden de muren der grot van den sterrenwichelaar,

en omringd door deze hieroglyphen, en voorzien van den primitieven

telescoop, dien wij beschreven hebben, bracht de wijze Ibrahim zijne

dagen door met het ontcijferen van de geschiedenis der toekomst,

die in de schitterende bladzijden van het uitspansel beschreven stond.

Het was niet meer dan natuurlijk, dat de ongelukkige Aben Habuz

hulp zocht bij den wijzen en helderzienden sterrenwichelaar. Het

duurde dan ook niet lang, of Ibrahim was hem onmisbaar geworden,

en werd overal in geraadpleegd. Hij antwoordde steeds vriendelijk

en stelde zijne wonderbaarlijke gaven geheel in dienst van den

gekwelden vorst. Op zekeren dag beklaagde Aben Habuz zich bitter

erover, dat hij voortdurend bedacht moest zijn op de aanvallen

zijner strijdlustige buren. De astroloog bleef eenige oogenblikken

in gedachten verzonken; toen antwoordde hij: »O, Koning, lang geleden

heb ik iets wonderbaars in Egypte aanschouwd, gemaakt door een wijze

priesteres van dat land. Ten Noorden van de stad Borsia verheft zich

een reusachtige berg, waarop het beeld van een ram geplaatst is,

waarboven een haan zetelt; beide beelden zijn van glanzend koper en

draaien om een spil. Wanneer het land door een inval bedreigd wordt,

keert de ram zich in de richting van den vijand, en de haan begint

te kraaien. Op deze wijze zijn de inwoners van Borsia in staat,

tijdig hunne verdedigingsmaatregelen te treffen.

»Konden wij maar iets dergelijks in Granada uitvinden,« riep de Koning

uit, »dan zouden wij weder gerust ons hoofd kunnen neerleggen.«

De sterrenwichelaar glimlachte over den ernst van den Koning. »Ik heb

u reeds verteld, o Koning,« zeide hij, »dat ik vele jaren in Egypte

heb doorgebracht, en mij heb toegelegd op de verborgen wetenschappen

van dat geheimzinnige land. Op zekeren dag, toen ik aan den oever van

de Nijl zat, en van gedachten wisselde met een Egyptischen priester,

sprak mijn metgezel, wijzende op de geweldige pyramiden, die hunne

schaduwen wierpen op de plek, waar wij ons bevonden: »Mijn zoon, hier

ziet gij deze bergen van steen, de gedenkteekenen voor Koningen, die

stierven toen Griekenland nog in opkomst was, en er nog geen steen van

Rome stond; alle kennis, die wij u kunnen schenken, is als een droppel

water in den Oceaan, vergeleken bij de geheimen, die deze monumenten

bevatten. In het hart van de Groote Pyramide is een doodenkamer,

waar de mummie rust van een hoogepriester, die dit geweldige monument

ontwierp en bouwde. Op zijn borst ligt een wonderboek, dat gewichtige

toovergeheimen bevat; het is hetzelfde boek, dat Adam geschonken

werd na zijn val en met welks hulp Salomon den tempel te Jeruzalem

bouwde. Van het oogenblik af, waarop ik deze woorden hoorde, o Koning,

had ik geen rust meer. Ik besloot, door te dringen in de Groote

Pyramide, en in het bezit te komen van dit wonderboek. Ik vormde een

klein leger uit soldaten van den zegevierenden Amru en uit geboren

Egyptenaren, en begon het stevige gebouw te doorboren, waarin dat boek

van onschatbare waarde verborgen was. Na onbeschrijfelijk veel moeite

en arbeid gelukte het mij, de verborgen gangen op te sporen. Langen

tijd doorzocht ik de labyrinthen der reusachtige pyramide, voordat ik

bij de doodenkamer kwam. En tastende in de zwartste duisternis, terwijl

ik telkens opgeschrikt werd door het geritsel der kleeden, waarin de

mummies der Pharao's gewikkeld waren, bereikte ik de heilige plaats,

waar het lichaam van den hoogepriester in zijn strenge waardigheid

lag. Ik opende de sarcophaag, ontdeed het stoffelijk overschot van

zijne omhulsels, en vond het geheimzinnige boek, dat temidden van

geurige kruiden en amuletten op de verschrompelde borst lag. Ik greep

het, vluchtte terug door de duistere gangen en herademde eerst, toen

ik den helderen Egyptischen dag en de vriendelijke groene oevers der

rivier weder aanschouwde.«

»Maar wat heeft dat alles te maken met mijne moeilijkheden, o zoon

van Abu Ajib?« vroeg de Koning geprikkeld.

»Ik heb u dit verteld, o Koning, omdat ik door middel van dit

wonderboek de geesten van de aarde en de lucht kan aanroepen, en ik

met hun hulp een talisman zal maken, zooals dien van den heuvel bij

de stad Borsia.«

De sterrenwichelaar hield zijn woord. Doordat hij de beschikking kreeg

over alle hulpbronnen van het koninkrijk, was hij in staat een hoogen

toren te bouwen, boven op den heuvel Albayan. Op zijn bevel droegen

de geesten groote steenen van de pyramiden van Egypte aan, en hieruit

werd het gebouw opgetrokken. Op de bovenste verdieping maakte hij een

ronde hal, waarvan de vensters in alle richtingen uitzagen, en voor

elk venster plaatste hij een tafel, waarop als bij een schaakbord,

houten soldaten waren opgesteld, ruiters en voetvolk, en de beeltenis

van den vorst, die in die richting heerschte. Naast elke tafel lag

een kleine speer, waarin tooverletters gegrift waren. De hal werd

gesloten met een ijzeren hek, waarvan de sleutel door den Koning

bewaard werd. Boven op den toren plaatste hij het bronzen beeld van

een Moorsch ruiter, dat op een draaienden stang was bevestigd. Het

droeg een schild en een speer, welke laatste hij loodrecht in de hand

hield. Het beeld keek naar de stad, maar wanneer een vijand naderde,

zou de ruiter zich naar hem toekeeren en de lans op hem richten,

alsof hij hem wilde aanvallen.

Niettegenstaande zijn grooten afkeer van den oorlog, brandde Aben Habuz

van verlangen, de deugdelijkheid van zijn talisman te beproeven. Hij

behoefde niet lang te wachten, want op zekeren morgen bracht men hem

de tijding, dat het gelaat van den bronzen ruiter naar de bergen

was gekeerd, en dat zijn lans in de richting van den pas van Lope

wees. Er werd oogenblikkelijk bevel gegeven, alarm te blazen, maar

Ibrahim verzocht den Koning, de stad niet op te schrikken, en zijne

troepen niet te mobiliseeren, maar hem te volgen naar de geheime hal

in den toren.

Toen zij daar binnentraden, vonden zij het venster, dat op den

pas van Lope uitzag, wijd open. »Aanschouw nu, o Koning,« zeide de

astroloog, »het wonder van de tafel.« Aben Habuz keek naar de tafel,

die bedekt was met de kleine houten ruiters en het voetvolk, en tot

zijn groote verbazing zag hij, dat zij allen in volle actie waren, dat

de krijgslieden hunne wapens zwaaiden, en dat de paarden hinnikten,

maar deze geluiden waren niet sterker dan het gezoem, dat uit een

bijenkorf opstijgt.

»Uwe Majesteit,« zeide de sterrenwichelaar, »indien U wenscht een

paniek te veroorzaken onder Uwe vijanden, dan behoeft gij slechts met

den knop van de tooverspeer op de tafel te slaan; maar wanneer gij

dood en verderf onder hen wilt brengen, moet gij met de punt slaan.«

Aben Habuz greep de kleine lans en stootte deze in eenige der kleine

figuurtjes, terwijl hij andere met de knop bewerkte. De eersten

vielen voor dood op de tafel neer, en de anderen vielen in groote

verwarring over elkander heen. Er werden bespieders uitgezonden,

die zich ervan overtuigen moesten, of de werkelijke aanvallers

inderdaad verslagen waren, en zij kwamen terug met het bericht,

dat Christentroepen door den pas van Lope waren getrokken, maar dat

zij onderling slaags waren geraakt, en in groote verwarring naar hun

eigen land teruggevlucht waren.

De Koning was verrukt over het resultaat, en hij verzocht Ibrahim,

zelf zijn belooning te noemen. »Ik heb slechts weinig behoeften,«

antwoordde de sterrenwichelaar; »wanneer mijn grot wordt ingericht

als een gepaste verblijfplaats van een philosoof, dan begeer ik

niets meer.«

Verbaasd over deze groote bescheidenheid, ontbood de Koning zijn

schatbewaarder, en hij droeg hem op, kennis te nemen van de wenschen

van den sterrenwichelaar. De wijze verlangde, dat men een geheele

reeks vertrekken in de rots zou uithouwen; en toen dit geschied

was, gaf hij bevel, dat zij met de grootste weelde zouden worden

ingericht. Vorstelijke ottomanes en heerlijke divans vulden alle

hoeken, en de vochtige muren waren behangen met de kostbaarste zijden

stoffen van Damascus, terwijl de rotsachtige vloeren bedekt waren

met de schitterendste Perzische kleeden. Verleidelijke baden waren

aangebracht, voorzien van de heerlijkste Oostersche reukwateren. De

vertrekken werden verlicht door ontelbare zilveren en kristallen

lampen, die Ibrahim vulde met een geurige en wonderbare olie, die

voortdurend brandde, en niet kon worden uitgedoofd.

De schatbewaarder, die ongerust was over de verregaande verkwisting

van den sterrenwichelaar, sprak den Koning erover aan; maar daar

Zijne Majesteit zijn woord aan den wijze gegeven had, en hij diens

verkwisting eenigszins had uitgelokt, kon hij moeilijk tusschenbeide

komen, en hij kon slechts hopen, dat de inrichting der grot spoedig

voltooid zou zijn. Toen de »kluizenaarswoning« eindelijk gevuld was

met de weelde-artikelen van drie koninkrijken, vroeg de schatbewaarder,

of de wijze tevreden was.

»Ik heb nog één klein verzoek,« antwoordde hij; »ik zou nl. gaarne

eenige danseressen tot mijn beschikking hebben, om mij te verstrooien.«

Ofschoon de schatbewaarder verontwaardigd was over dezen eisch,

volgde hij de bevelen van den astroloog op, en toen Ibrahim dus

alles had gekregen, wat zijn hart begeerde, sloot hij zich in zijn

onderaardsch verblijf op. Intusschen hield de Koning zich in den toren

bezig met zijn houten soldaatjes, en daar de sterrenwichelaar niet

bij de hand was, om zijn strijdlust te temperen, vermaakte hij zich

met het verdelgen van legers, en het verslaan van geheele bataljons

door een enkelen stoot met de tooverlans. Zijne vijanden waren zóó

ontdaan over het lot van elken krijgstocht naar zijn gebied, dat zij

tenslotte ophielden hem te bestoken, en gedurende vele maanden bleef

de bronzen ruiter stil staan. Doordat Aben Habuz dus beroofd was van

zijn liefste bezigheid, verveelde hij zich, en werd hij brommig. Maar

op een goeden morgen bracht men hem het bericht, dat de bronzen ruiter

zijn lans had gekeerd naar de bergen van Guadix.

De Koning begaf zich oogenblikkelijk naar den toren, maar op de

toovertafel, die in de richting was geplaatst, waarheen de ruiter wees,

bleef alles rustig. Geen houten soldaatje bewoog zich, geen paardje

hinnikte. Aben Habuz zond een troep bespieders uit, en dezen keerden

na verloop van drie dagen terug met de tijding, dat alles rustig was,

en dat zij niets anders hadden gezien dan een Christen jonkvrouw,

die bij een bron lag te slapen, en die zij gevangen genomen hadden.

Aben Habuz gaf bevel, de jonkvrouw bij hem te brengen. Haar trotsche

houding en haar kostbare kleeding verraadden haar hooge afkomst. Op

een vraag van den Koning antwoordde zij, dat zij een Gothische prinses

was, en dat het leger haars vaders als het ware door een tooverslag

in de bergen was uiteengejaagd.

»Wacht U voor deze vrouw, o Koning,« fluisterde de astroloog, die

naast hem stond; »het schijnt mij toe, dat zij een toovenares is,

die hierheen is gezonden om U ten val te brengen; ik zeg U: wees

voorzichtig!«

»Zwijg Ibrahim,« antwoordde Aben Habuz, »gij zijt een wijs man, maar

wat weet gij van de vrouw? Wie harer is geen toovenares? De jonkvrouw

behaagt mij.«

»O Koning,« zeide Ibrahim, »ik heb U vele overwinningen bezorgd, maar

van allen buit, dien gij behaald hebt, heb ik niets ontvangen. Geef

mij deze gevangen Christin, die, zooals ik zie, een zilveren lier

bij zich heeft, waarop zij heerlijke muziek voor mij kan maken in

mijn onderaardsche verblijfplaats. Wanneer zij, zooals ik vermoed,

een toovenares is, beschik ik over toovermiddelen om haar onschadelijk

te maken. Maar U zou zij spoedig beheerschen, wanneer gij haar in uw

huis opneemt.«

»Wat!« riep de vertoornde vorst uit, »bij den baard van den Profeet,

gij zijt een zonderlinge kluizenaar! Deze jonkvrouw is niet voor u!«

»Het zij zoo,« sprak Ibrahim met van woede trillende stem, »maar

ik vrees voor U, o Koning Aben Habuz. Neem U in acht, herhaal ik;

wees voorzichtig.« En met deze woorden trok de sterrenwichelaar zich

terug in zijn onderaardsche woonplaats.

Aben Habuz was op het eerste gezicht hartstochtelijk verliefd

geworden op de schoone Gothische prinses, en in zijn verlangen, haar

te behagen, verspilde hij alle schatten van zijn koninkrijk. Hij

overlaadde haar met de kostbaarste geschenken en richtte, om

haar genoegen te doen, honderd feesten aan--stierengevechten,

tooneeluitvoeringen en tournooien. Dit alles aanvaardde de schoone

als iets, wat haar toekwam. Het had er inderdaad allen schijn van,

alsof zij den verdwaasden vorst aanspoorde tot steeds roekeloozer

uitgaven. Maar hoeveel heerlijkheden hij ook over haar uitstortte, zij

weigerde hardnekkig te luisteren naar een enkel verliefd woord van de

lippen van Aben Habuz, en telkens wanneer hij trachtte van liefde te

spreken, begon zij met hare vingers op de zilveren lier te tokkelen,

en zij glimlachte dan raadselachtig. En telkens wanneer zij dit deed,

voelde de Koning zich slaperig worden, en wanneer de zoete klanken

zich van zijne zinnen meester maakten, viel hij in een diepen slaap,

waaruit hij dan gewoonlijk verfrischt en versterkt ontwaakte. Zijne

onderdanen waren echter volstrekt niet tevreden met den gang van zaken;

zij waren ontstemd over zijn geweldige verkwisting en over het feit,

dat hij zulk een gewillig slaaf was geworden van een vrouw van een

vijandelijk ras, en ten slotte kwamen zij openlijk in opstand. Maar

evenals Sardanapalus van Babylon, maakte hij zich los uit de zachte

ketenen, plaatste zich aan het hoofd zijner troepen, en onderdrukte

het oproer, nog voordat het zijn hoogtepunt bereikt had. Dit voorval

verontrustte hem echter zeer, en hij herinnerde zich de woorden van

den wijzen Ibrahim, die hem gewaarschuwd had, dat de Gothische prinses

zijn ongeluk zou worden.

Hij zocht den sterrenwichelaar op in zijn grot, en vroeg hem

raad. Ibrahim verzekerde hem, dat zijn positie onzeker zou blijven,

zoolang de prinses in zijn woning vertoefde. Aben Habuz wilde daar

echter niets van hooren, en hij vroeg den wijze, een plaats voor hem

op te zoeken, waar hij zijne verdere levensdagen rustig zou kunnen

doorbrengen met de prinses, die hij zoo vurig beminde.

»En wat zal mijn loon zijn, als ik zulk een verblijfplaats voor U

vind?« vroeg Ibrahim.

»Gij moogt uw belooning zelf kiezen,« antwoordde de onverstandige

oude vorst.

»Hebt gij wel eens gehoord van den tuin van Irem, o Koning, dat

kleinood van Arabië?«

»Ja, uit sprookjes. Houdt gij mij voor den gek, o astroloog?«

»Evenmin als mijne oogen mij bedrogen hebben, o Koning, want ikzelf

heb dit heerlijkste der paradijzen aanschouwd. Toen ik een kind was,

ontdekte ik het toevallig, terwijl ik naar een kameel van mijn vader

zocht. Vroeger was het het land der Additen; de hoofdstad was gesticht

door Sheddad, zoon van Ad, achterkleinzoon van Noach, die besloot,

daar een paleis te bouwen, omringd door tuinen, die het Paradijs in

schoonheid zouden evenaren. Maar de vloek des hemels trof hem wegens

deze vermetelheid. Hij en zijn volk werden van de aarde weggevaagd,

en zijn paleis en de tuinen werden betooverd, zoodat zij onzichtbaar

werden voor het menschelijk oog. Toen ik het boek van Salomon gevonden

had, ging ik weder op zoek naar den tuin van Irem, en ik ontfutselde

den geesten, die den tuin bewaken, het geheim van het tooverwoord,

dat hem onzichtbaar maakt voor sterfelijke wezens. Door middel van

dit tooverformulier kan ik U zulk een verborgen en heerlijk oord

zelfs hier op den berg bij de stad verschaffen, o Koning!«

»O wijze sterrenwichelaar,« riep Aben Habuz geestdriftig uit, »het was

verkeerd van mij, aan uwe woorden te twijfelen; doe wat gij beloofd

hebt en bepaal zelf uw belooning.«

»Ik verlang slechts het eerste lastdier met zijn lading, dat de poort

van Uw paradijs zal binnengaan,« zeide Ibrahim; »dat is toch zeker

een bescheiden eisch?«

»Bescheidener kan het al niet,« riep de Koning uit, opgewonden door

de gedachte aan zijn toekomstig geluk; »uw wensch zal vervuld worden.«

De sterrenwichelaar toog oogenblikkelijk aan het werk. Op den top

van den heuvel boven zijn grot, bouwde hij een stevigen toren met

een groote poort. Op den sluitsteen van dezen ingang bracht hij de

beeltenis van een reusachtigen sleutel, en buiten op de poort die van

een even reusachtige hand aan. Op een bijzonder duisteren nacht klom

hij op den heuvel en sprak daar allerlei tooverformulieren uit. Den

volgenden morgen begaf hij zich naar Aben Habuz, en deelde hem mede,

dat hij zijn werk beëindigd had, en dat het paradijs, dat slechts

zichtbaar zou zijn voor hem en zijn geliefde, hem wachtte.

Den dag daarna beklom de Koning den heuvel in gezelschap

van de prinses, die een wit paard bereed. Naast hem schreed

de sterrenwichelaar, steunende op zijn met hieroglyphen bedekten

staf. Zoo naderden zij de poort, en Ibrahim wees hun de geheimzinnige

hand en sleutel. »Zoolang deze hand den sleutel niet grijpt, zal geen

sterveling macht krijgen over den meester van dit paradijs,« zeide hij.

Terwijl hij sprak, reed de prinses op haar paard door de poort.

»Zie,« riep de sterrenwichelaar uit, »kwamen wij niet overeen, dat

het eerste lastdier, dat door de poort zou rijden, met zijn lading

mij zou toekomen?«

Aben Habuz glimlachte eerst over hetgeen hij als een grap van den

astroloog beschouwde. Maar toen hij bemerkte, dat het hem ernst was,

werd hij woedend.

»Vermetele sterrenwichelaar,« schreeuwde hij, »durft gij uwe oogen

op te slaan naar haar, die ik onder alle vrouwen heb uitverkoren?«

»Gij hebt uw koninklijk woord gegeven,« antwoordde Ibrahim. »Ik eisch

de prinses op.«

»Hond der woestijn!« riep Aben Habuz, »gij zult gevoelen, wat het

zeggen wil, mijn toorn te hebben opgewekt, gij bedrieger!«

»Daar lach ik om,« riep Ibrahim spottend. »Geen sterfelijke hand kan

mij deren. Vaarwel! geniet van uw paradijs, en heersch met genoegen

over uw rijk. Wat mij betreft, ik ga daarheen, waar gij mij niet volgen

kunt.« En dit zeggende, greep hij het paard bij den teugel, sloeg met

zijn tooverstaf op den grond en verzonk met de prinses in het binnenste

van den heuvel. De aarde sloot zich over hunne hoofden en er was geen

spoor meer te bekennen van de opening, waardoor zij verdwenen waren.

Toen Aben Habuz eenigszins van zijn verbazing bekomen was, liet hij

een troep werklieden aanrukken om te graven. Maar het zand vulde

de opening oogenblikkelijk weer, en ook de ingang der grot van den

sterrenwichelaar was verdwenen. En wat nog erger was, de talisman,

waarmede de astroloog den vrede in Granada bewaard had, weigerde

te werken, en de oude onrust keerde weder. Maar op zekeren morgen

kwam een boer bij Aben Habuz, en vertelde hem, dat hij, toen hij

den heuvel overtrok, een spleet in de rots had ontdekt; daar was hij

doorgekropen, en had toen een blik geslagen in een onderaardschen hal,

waar de sterrenwichelaar op een kostbaren divan zat te slapen, terwijl

de prinses hem op haar zilveren lier iets voorspeelde. De Koning

slaagde er echter niet in, de rotsspleet te vinden. Ook kon hij het

paradijs niet binnengaan, dat door zijn mededinger was gesticht. De

top van den heuvel bleek een kale vlakte te zijn, die den naam van

»Het Paradijs van den Dwaas« ontving. De verdere levensdagen van den

ongelukkigen Koning werden hem tot een ondragelijken last door de

voortdurende invallen van zijne oorlogszuchtige buren.

Dit is het verhaal van den heuvel van het Alhambra, waarop een paleis

is gebouwd, dat in schoonheid de wonderen van de toovertuinen van

Irem haast evenaardt. De betooverde poort bestaat nog in haar geheel,

en is nu bekend als »De Poort der Rechtvaardigheid.« Men zegt, dat

onder deze poort de oude Sterrenwichelaar nog in zijn onderaardschen

hal woont, in een voortdurenden slaap gesust door de zilveren lier

der prinses. Zij zijn elkanders gevangenen, en zullen dat blijven

totdat de tooversleutel zal worden aangevat door de tooverhand,

en de betoovering zoo van den heuvel zal worden afgenomen.

Legenden en Romances van Spanje · 第 127 / 165 题