GRAAF ARNALDOS.

Deze mooie ballade, die in de Cancionero van Antwerpen (uitgegeven in

1555) voorkomt, verhaalt, hoe Graaf Arnaldos op zekeren morgen langs

het strand wandelde, en getroffen werd door het geheimzinnige gezang

van een matroos, die zich op een voorbijvarende galei bevond.

Moge 't oog verlangend stralen,

Moge 't hart vergaan van wee,

Nooit zal meer een stervling hooren

't Lied, dat opstijgt uit de zee.

Bij het zingen van den zeeman

Kwam de woeste storm tot rust,

En de aarde lag te droomen

Als een maagd, in slaap gekust.

Helder lichtend rees de zeester

Uit haar duister kil gebied

En de adelaar bleef zweven

Als betooverd door het lied.

»In den naam van God, den Schepper,«

Kreet Arnaldos, droef en bang,

»Oude man, ach, wil mij leeren

Het geheim van uwen zang.«

»Graaf Arnaldos! Graaf Arnaldos!

Kom aan boord, vaar met ons mee,

Want de zee kan u slechts leeren

De geheimen van de zee.«

Vele kleinere balladen volgen dan, die niet belangrijk genoeg zijn,

om hier te worden weergegeven. Een bekoorlijke »Serenade,« overgenomen

uit de Romancero General van 1604, is zeker niet het werk van een

eenvoudigen boer.

Alle sterren stralen

Aan den hemeltrans

In den stroom zich spieglend

Met verhoogden glans.

Kom zoele zuiderzucht,

Maar laat geen wolkje komen,

Verduisterend de lucht,

En Zara's teedre droomen

Jagend in ijle vlucht.

»DE GEVANGEN RIDDER EN DE MEREL«

verhaalt ons de droefheid van een krijgsman, die in zijn diepen kerker

niet bemerkt, hoe de jaren wisselen en hoe de maan wast en afneemt:

Ach, droefenis woont in mijn hart, hoe schoon de Mei ook straalt,

Ik weet niet, dat de dag ontwaakt, en dat de avond daalt;

Eéns zong een blijde vogelstem bij 't rijzen van de zon;

Dan wist ik, dat de nacht verdween, en dat de dag begon.

Een wreede hand had de merel gedood, die de vreugde had uitgemaakt

van den armen gevangene. Maar de Koning hoorde zijn droeve klacht,

toen hij langs den kerker wandelde, en hij gaf den ongelukkige de

vrijheid terug. Wij zullen het droefgeestige »Valladolid« voorbijgaan,

dat een beschrijving geeft van het bezoek van een ridder aan het graf

zijner geliefde, die in deze stad gewoond had. »De Ongelukkig-Getrouwde

Vrouw« verhaalt het leed van een dame, wier echtgenoot haar ontrouw

is, en die zich met een anderen ridder troost. Zij worden verrast

door haar heer en gebieder, en zij vraagt hem, alsof het vanzelf

spreekt: »Moet ik vandaag nog sterven?« en zij smeekt hem, haar onder

de oranje-appelboomen te begraven. De romance vertelt ons niet, of

haar laatste wenschen vervuld werden, noch of zij ter dood gebracht

werd, maar voor een Spaansch publiek der zeventiende eeuw was dit

waarschijnlijk zóó vanzelfsprekend, dat het onnoodig was, het nog

te vermelden.

»Dragut« geeft het verhaal van een beroemd zeeroover, wiens schip

in den grond geboord werd door een galei, behoorende aan de Maltezer

Ridders. Dragut ontkwam aan den dood door naar de kust te zwemmen, maar

de Christen gevangenen, waarmede zijn boot volgeladen was, verdronken

allen, met uitzondering van één, wien de ridders een touw toewierpen.

Het was een ridder uit een edel Spaansch geslacht,

Die lang gezucht had onder Saraceensche macht.

Gedwongen door den wreeden Moor met ijzren hand,

Op zee galeislaaf, en een tuinmansknecht aan land.

De romancero: »Sale la estrella de Venus« verhaalt een tragische

geschiedenis. Een Moorsch krijgsman, die de stad Sidonia ontvlucht was

om de wreedheid zijner geliefde, die hem bespot had om zijn armoede

en haar hand aan een ander geschonken had, vervult de lucht met zijn

droeve klachten. Hij vervloekt de trotsche en wreede jonkvrouw, die

hem zoo gegriefd heeft. Waanzinnig van smart begeeft hij zich naar het

paleis van den Alcade, met wien de trouwelooze schoone dien avond in

het huwelijk zal treden. Het gebouw schittert in een zee van licht,

en is vervuld van vroolijk gezang.

En de gasten gaan opzijde,

Als hij voortschrijdt als een vorst.

Wee! hij nadert den Alcade

En doorsteekt diens trotsche borst.

Ach, het bloed uit diepe wonde

Kleurt het vorstelijke kleed.

Het paleis weergalmt van klagen,

Angstgeschrei en wanhoopskreet!

En terwijl de bange klachten

Nog weerklinken in de lucht,

Is de ridderlijke wreker

Naar Medina reeds gevlucht.

Wij hebben nu ieder type der Spaansche balladekunst min of meer

uitvoerig behandeld, en gezien, dat over het algemeen de domineerende

toon romantisch en ernstig is, een gevolg van de gemoedsgesteldheid

van een trotsch en fantasierijk volk. Ook zagen wij, dat tal van

deze gedichten iets typisch Spaansch hebben, en dus raseigenschappen

vertoonen. »Arm Spanje!« Hoe menigmaal hooren wij deze uitdrukking

gebruiken door menschen van het Angelsaksische ras! Zij vergissen

zich. Wat beteekent materieele armoede voor een volk, dat begaafd

is met zulk een heerlijke verbeeldingskracht? Arm Spanje! Neen, rijk

Spanje, schatkamer van een onuitputtelijken rijkdom aan overleveringen,

van de kostbaarste juweelen der romance, van het drama en van het lied!

Legenden en Romances van Spanje · 第 125 / 165 题