Wij zijn nu gekomen aan de romantische balladen, de derde en laatste
rubriek van Lockharts verzameling. Over »De Moor Calaynos« hebben wij
reeds gesproken, evenals over »Gayferos« en »Melisendra«. Daarop volgt
»De Droom van Vrouwe Alda,« volgens Lockhart een van de schoonste
balladen van Spanje. Ik kan mij met dit oordeel niet vereenigen en
geef verre de voorkeur aan »Admiraal Guarinos,« dat in een mooi en
martiaal rhytme is geschreven. Guarinos was een admiraal van Karel
den Groote. In het laatst der vorige eeuw was de toestand van de
Britsche zeemacht een onderwerp van de allergrootste belangstelling
onder alle lagen der maatschappij; en toen de schrijver van dit werk
in zijn jeugd de ballade »Guarinos« las, maakte hij zich dan ook zeer
bezorgd over de tuchteloosheid, die er stellig moest hebben geheerscht
bij de Frankische vloot, gedurende de gedwongen afwezigheid van den
opperbevelhebber Guarinos, die te Roncevalles door de Saracenen
gevangen genomen was. Koning Marlotes, in wiens macht hij zich
bevond, behandelde hem op hoffelijke wijze, maar wilde hem dwingen,
den Islam te omhelzen, onder de belofte, dat hij hem dan zijne beide
dochters ten huwelijk zou geven. Maar de admiraal wilde zich niet
laten omkoopen, en weigerde tot den Mohammedaanschen godsdienst over
te gaan. Marlotes kreeg dientengevolge een van die hevige driftbuien,
die het bijzondere voorrecht schijnen te zijn geweest van Oostersche
potentaten, en hij gaf bevel, dat Guarinos in den diepsten kerker
van zijn kasteel zou geworpen worden.
Het was een Moorsch gebruik, de gevangenen drie keer per jaar uit
hun kerker in het daglicht te brengen, tot vermaak en stichting van
het volk. Bij één dezer gelegenheden, op het feest van Johannes den
Dooper, had de Koning een groote schietschijf laten oprichten, waar de
Moorsche edelen onder door moesten rijden, terwijl zij trachtten, haar
met hunne speren te doorboren. Maar de schijf was zóó hoog geplaatst,
dat het geen hunner gelukte, en de Koning, die ontevreden was over
hun gebrek aan vaardigheid, weigerde het feestmaal te doen beginnen,
voordat de schietschijf doorstoken was. Guarinos beroemde er zich op,
de proeve van zijn behendigheid te zullen afleggen, en hij verkreeg
de koninklijke toestemming, het te probeeren. Men bracht hem dus
de wapenrusting, die hij in zeven jaren niet gedragen had, en zijn
oud strijdros.
Zij gespten hem het harnas om, en reikten hem de speer,
Zij plaatsten den helm hem op het hoofd, zoo mager en zoo teer.
En zij brachten hem zijn liefste paard uit lang vervlogen tijd:
Zóó wachtte hij dan aan de poort, gereed weer tot den strijd.
Guarinos fluisterde iets in het oor van het oude paard, en het herkende
de stem van zijn meester.
Zacht streelde hij het oude ros, licht sprong hij in het zaâl,
En reed, tot waar Marlote zat, in vorstelijke praal.
Maar schamper lachte toen de Moor: »Heer Ridder, wees gegroet!
Rijd naar uw doel, gij dappre held, en toon ons nu uw moed!«
Hoog hief Guarinos toen zijn lans, reed naar den Moorschen vorst,
En met een enklen forschen stoot, doorboorde hij diens borst.
Rijd snel, Guarinos, vlucht toch snel! rijd! vechtend voor
uw leven,
Ginds ligt het schoone Frankenland, dat vrijheid u zal geven!
Er schijnt eenig verband te bestaan tusschen deze ballade en de
Fransche romance »Ogier de Deen,« en Erman vertelt ons, dat zij in
1828 in Siberië in het Russisch gezongen werd.