Dit is een ballade, die tot onderwerp heeft de veete tusschen
twee Moorsche families in Granada, de Zegris en de Abencerrages,
de Montagues en Capulets uit de laatste Moorsche stad, waarvan de
val ongetwijfeld verhaast werd door de voortdurende twisten dezer
adellijke geslachten.
Lisaro is het trotsche hoofd van Zegri's hoog geslacht;
Geen is er, die de werpspies voert met zulk een groote kracht.
Vanuit zijn grondgebied rijdt hij nog vóór de dageraad
Van Alcala de Henares in somber rouwgewaad.
De jonge Zegri, zoo verhaalt de ballade, is gekleed voor den strijd,
niet voor een plezierrit of een optocht. Hij draagt dan ook een
donkere wapenrusting, en zijn paard is in sombere kleuren opgetuigd,
zoodat hij onopgemerkt door het vijandelijk land kan trekken:
Zijn gordel en 't gevest zijn zwart, maar glanzend is zijn zwaard;
Zwart zijn het kleed en 't zaâl, maar licht de hoeven van zijn
paard.
Lisaro draagt op zijn muts een lauriertakje, dat zijn geliefde, Zayda,
hem gegeven heeft:
En telkens keek hij naar de bloem, die hem zijn liefste gaf...,
»God weet, of ik niet heden nog zal rusten in mijn graf.«
Maar hij blijft in het leven, en verovert zijn bruid, zooals wij
lezen in het korte slotcouplet:
De jonge edelman rijdt voort, maar na een korten tijd
Treft hij den vijand op zijn pad, en fel ontbrandt de strijd.
De Zegri vocht den ganschen dag met woede om zijn bruid,
En zegevierend voerde hij haar weg als oorlogsbuit.