worden genoemd. Wij hebben het vraagstuk van de meerdere of mindere
»Moorschheid« dezer balladen reeds besproken, en wij zullen ze
dus nu slechts als balladen zonder meer beschouwen. De eerste,
Het Stierengevecht van Ganzul, is een beroemd gedicht, waarin de
vaardigheid van den Moorschen ridder Ganzul in de arena beschreven
wordt; deze ballade draagt een beslist Moorsch karakter:
Almanzor, Vorst van Granada, riep met trompetgeschal,
De eedlen samen uit zijn rijk, van heuvel en uit dal.
Van Vega, Sierra en Xenil, van vlakten en uit 't woud,
Met helm en met kuras van staal en van gedreven goud.
-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
Acht dappre ridders uit het land houden zich nu bereid,
Wanneer de woeste stieren dan, aanstormen tot den strijd;
Maar vóór de zon ten middag stijgt, ligt elke Moorsche held
Reeds in het zand, want door den stier werd hij terneer geveld.
Dan dreunt de zware roffel, en dan klinkt de schelle horen;
»Maakt plaats, maakt plaats voor Ganzul!«... de ridder treedt
naar voren.
Nog feller raast de trommel; laat luid den horen schallen:
D'Alcaydé van Agalva komt, de dapperste van allen!
Hij verslaat de stieren, die op hem worden afgezonden, met uitzondering
van Harpado, een woest, maar verstandig dier.
Zijn donkre huid glanst in de zon, daaronder kookt het bloed;
Zijn felle oogen, wit omringd, zij stralen vuurgen gloed,
Als hij het strijdperk binnenraast in ongetemde vaart,
Dan gloeien zij in woesten glans als hij den held ontwaart.
Maar de trotsche Harpado moet het afleggen tegen den Moorschen ridder,
die het onderwerp is van zoovele verhalen, die vooral betrekking
hebben op zijn liefdesverhouding met een Moorsche schoone.