DE MOOR REDUAN.

Wij slaan »De Heer van Brutayo« en »De Koning van Arragon« over, en

komen dan aan de ballade, die tot titel heeft: »De Moor Reduan«, een

gedicht, dat betrekking heeft op het beleg van Granada, de laatste

vesting der Mooren. Het is de eerste van een groep balladen, die

romanceros fronterizos of »grensromances« genoemd worden, en die,

zooals wij reeds opmerkten, sterk onder Moorschen invloed staan. Het

is zelfs zeer goed mogelijk, dat zij in meerdere of mindere mate

een nabootsing waren van de Moorsche dichtkunst, of dat zij zelfs

de gegevens eruit putten. In zijn verhandeling over de romancero

zegt Kelly: »Men kan er Lockhart natuurlijk geen verwijt van maken,

dat hij de ballade getrouw uit het oorspronkelijke vertaalde; van

ieder schrijver, die op het oogenblik een nieuwe vertaling ervan

zou willen geven, zou hetzelfde verlangd mogen worden. Maar hij

zou het zeker noodig oordeelen, in een noot het resultaat neer te

leggen van de onderzoekingen, die in den tijd van Lockhart nauwelijks

begonnen waren. Het is nu wel zeker, dat Pérez de Hita twee romanceros

door elkander werkte, en dat de verzen van het vierde gedeelte van

Lockhart's vertaling:

»Zij trokken met ontplooide vaandels door Elvira's poort«,

thuis hooren in een ballade, die betrekking heeft op de veldtocht van

Boabdil tegen Lucena in 1483. Lockhart wist zeer goed, dat het gedicht

niet homogeen was; want hij zegt: »Het volgende is een vertaling van

bepaalde gedeelten van twee balladen, maar hij schijnt niet te hebben

geweten, dat één dezer gedeelten handelde over de tocht van Boabdil. En

juist dit gedeelte behoort tot het allerbeste uit het gedicht.

Tulbanden groen en sierlijk, en kaftans hel getint,

De pluimen en de veeren, ze wapp'ren in den wind;

De kromme zwaarden schitt'ren, 't is glans, waarheen men ziet.

De dapp're harten zingen een heerlijk strijderslied.

Legenden en Romances van Spanje · 第 116 / 165 题