Wij zijn nu gekomen bij de balladen, die de boeiende maar bloedige
geschiedenis van Pedro den Wreede verhalen. Men heeft menigmaal
getracht te bewijzen, dat Pedro volstrekt niet zulk een onmensch
was, als de balladeschrijvers hem ons hebben voorgesteld; maar het
is waarschijnlijk, dat de zangers het in dezen bij het rechte eind
hebben, en niet de moderne geschiedschrijvers, die alles gedaan hebben
om den verafschuwden naam van Pedro te zuiveren. Zijn eerste daad van
wreedheid was die, welke in »De Meester van St. Jago« beschreven is,
en die betrekking heeft op zijn natuurlijken broeder. Bij den dood van
dien edelman vluchtte zijn vader, die het wraakzuchtige karakter van
Pedro kende, naar de stad Coimbra in Portugal. Maar daar hij vertrouwde
op de plechtige verzekering van Pedro, dat hij hem geen geweld zou
aandoen, nam hij diens uitnoodiging aan, om naar het Hof van Sevilla
te komen, waar grootsche tournooien zouden worden gehouden. Zoodra
hij echter was aangekomen, werd hij heimelijk ter dood gebracht,
naar men gelooft, op aandringen van Pedro's minnares, Maria de Padilla.
De ballade verhaalt, hoe Pedro later de valsche Maria de Padilla
gevangen liet zetten, maar er is geen enkel zeker bewijs,
dat zij de aanstichtster was van de misdaad, of dat zij ervoor
gestraft werd. Fitzmaurice Kelly is van oordeel, dat de romance
ontegenzeggelijk dramatische kwaliteiten bezit; indien hij gesproken
had van melodramatische kwaliteiten, zouden wij ons beter met zijn
oordeel kunnen vereenigen.
»Het staat vast, dat Pedro schuldig was aan den gewelddadigen dood van
de jonge en onschuldige Prinses Blanche de Bourbon, die hij gehuwd
en dadelijk na het huwelijk verlaten had,« zegt Lockhart. Maar of
hij wèl of niet zijn koningin vermoordde, zijn bijzit, Maria de
Padilla, was in geen geval medeplichtig aan deze misdaad, waarvan
de ballade haar beschuldigt; en het is duidelijk, dat de verzen, die
op haar betrekking hebben, geschreven zijn met oneerlijke politieke
bedoelingen. Mariana, die betrouwbaar geacht mag worden, verhaalt,
dat Pedro's gedrag tegenover zijn koningin de verontwaardiging
opwekte van velen zijner edelen, die een geschreven protest bij hem
indienden. Pedro met zijn heftig en bloeddorstig karakter, ontstak
in woede over hetgeen hij beschouwde als een ongepaste inmenging in
zijne persoonlijke aangelegenheden, en hij gaf oogenblikkelijk bevel,
zijne ongelukkige echtgenoote in de gevangenis door vergif om het
leven te brengen. De ballade beschrijft echter, hoe Pedro en zijn
minnares te zamen den moord op de ongelukkige Koningin beramen.
In »De Dood van Pedro« krijgen wij de bloedige beschrijving van den
vreeselijken strijd tusschen de koninklijke broeders. Pedro, die
door Henrico van Trastamara, zijn natuurlijken broeder, is gevangen
genomen, wordt op laffe wijze door dezen beleedigd, en vliegt hem,
in een uitbarsting van dierlijken moed en koninklijke woede, naar de
keel. Met stomheid geslagen bij den aanblik van het gevecht op leven
en dood tusschen vorst en overweldiger, kijken Henrico's mannen, onder
wie de beroemde Du Guesclin, toe. Pedro houdt den Heer van Trastamara
tegen den grond, en hij heft zijn dolk op om toe te stooten. Maar Du
Guesclin wendt zich tot den page van Henrico: »Laat gij uw meester
zóó sterven, gij, die zijn brood eet!« roept hij schamper uit. De
schildknaap werpt zich op Pedro, omklemt zijne armen en trekt hem
van Henrico weg, zoodat deze zich kan opheffen, en een opening kan
zoeken in het pantser van den Koning. Dan stoot hij zijn dolk diep
in het wreede hart. De moordenaar, de vriend van Joden en Saracenen,
is gedood. Zijn hoofd wordt afgeslagen, en zijn trotsch lichaam door
paardenhoeven vertrapt.
Zóó dreigend staren Pedro's doode oogen nog zijn broeder aan,
Zóó onheilspellend, of hij tot de wrake op zal staan!
Daar staat de broeder met het Cainsteeken, bloedig rood;
Ach Pedro waar' zijn Cain, had' hij hem niet eerst gedood.
zegt de ballade. »Zijn deze wreede oogen werkelijk dood? Zie ik
er geen dreiging in? Mijn handen zijn rood van het bloed mijns
broeders, maar het is slechts toeval, dat de zijne niet bevlekt
zijn met mijn bloed.« Dit gedeelte van het gedicht is treffend om de
atmosfeer van doodelijke kilte, die volgt op het oogenblik van den
moord--beangstigend, beklemmend. Ook de diepe droefheid der minnares
van den Koning is goed geteekend:
Wanhopig blikt zij dan omlaag, haar wangen brandend heet,
Eerst ziet zij naar Henrico's kroon, en naar zijn vorstlijk kleed;
Dan staart zij op 't verscheurd gewaad, dat nauwelijks bedekt
Het lijk van Pedro, marmerkoud, vertrapt, met bloed bevlekt.