Van deze ballade maakt Kelly zich met enkele woorden af, ofschoon
het mij toeschijnt, dat zij onze aandacht wel waard is. De Vargas
onderscheidde zich door groote dapperheid bij het beleg van Sevilla
in 1248. Toen hij op zekeren dag langs de oevers van de rivier
reed, door slechts één metgezel begeleid, werd hij aangevallen
door zeven Moorsche ruiters. Zijn metgezel vluchtte, doch Pérez
sloot zijn visier en wachtte de Saraceensche krijgslieden af. Toen
deze bemerkten wien zij tegenover zich hadden, maakten zij haastig
rechtsomkeert. Terwijl hij terug reed naar zijn kamp, ontdekte Pérez,
dat hij zijn ceintuur, het onderpand zijner geliefde, verloren had,
en hij keerde oogenblikkelijk om, om haar te zoeken. Maar ofschoon
hij zich ver in de gevaarlijke zone waagde voordat hij zijn eigendom
gevonden had, ontweken de Mooren hem voortdurend, en hij bereikte
veilig het Spaansche kamp. In de ballade ontrukt Pérez de ceintuur
aan de Mooren, die haar gevonden en »op een speer gestoken« hadden.
»Halt, roovers! halt, gij dieventuig! geeft mij mijn gordel weer!«
Riep hij, en woedend velde hij de Moorenbende neer.
-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
Toen hij in 't Spaansche kamp verscheen als overwinnend vorst,
Bedekte de herwonnen schat zijn trotsche heldenborst.
Bloot was zijn hoofd, rood was zijn zwaard, en als een
krijgstrophee
Bracht hij het afgeslagen hoofd van zeven Mooren mee.