Er zijn weinig Spaansche romanceros, die een treffender en tragischer
onderwerp behandelen dan den moord van de ongelukkige Infantes
of Prinsen van Lara, door hun verraderlijken oom, Ruy of Roderigo
Velásquez. Fitzmaurice Kelly veronderstelt, dat één dezer romanceros
is ontstaan uit een verloren heldengedicht, dat tusschen 1268 en
1344 werd geschreven, »of misschien wel uit een verloren imitatie
van dit verloren heldengedicht.« Het lijkt mij vreemd toe, dat al
deze gedichten verloren zouden zijn gegaan. Verder beweert hij, dat
Lockhart van »krachtiger« balladen gebruik had moeten maken om een
juisten indruk te geven van deze legende, maar ik vind, dat hij met
deze bewering onrecht doet aan de mooie en levendige vertaling van
»De Wraak van Mudara.«
O, vergeefs heb 'k gedood de Infantes van Lara,
Want een erfgenaam leeft nog, de bastaard Mudara,
't Is het jong van de afvallige, 't heidensche broed:
O, moge mijn speer eens vergieten zijn bloed!
Wanneer ik deze regels lees, komt de herinnering tot mij, aan een
groote, rustige kamer, waarvan de kleine vensters uitzien op een
wildernis van tuinheesters, die gebaad zijn in die onwezenlijke
gele kleur, die slechts de avondschemering geven kan. Op de tafel
van wormstekig rozenhout ligt een deel van de Spaansche Balladen,
in een beschadigden leeren prachtband uit de dagen, waarin zulke
boeken nog ten geschenke werden gegeven, en slechts voor pronk
dienden. Als kind van tien jaar was ik deze kamer binnen geslopen,
dit hemelsch verblijf van rozenbladeren en snuisterijen; en toen ik
zonder een bepaald doel het boek opende, viel mijn oog op bovenstaande
dichtregels. Voor het eerst in mijn leven werd ik getroffen door de
schoonheid van het rhytme, van muziek in woorden. De verzen hechtten
zich vast in mijn brein. En terwijl ik het boek doorbladerde totdat
de duisternis viel, scheen het mij toe, dat er niets mooiers denkbaar
was, dat er geen verzen konden bestaan, waarin zulk een heerlijke gang
zat. Maar ik had eenmaal uit dezen beker gedronken, en mijne dagen
en nachten werden een hunkeren naar woorden, die tegelijk muziek
zouden zijn. Het duurde geruimen tijd voordat ik iets ontmoette,
dat het heerlijke rhytme van »De Wraak van Mudara« overtrof of
zelfs evenaarde. De jaren hebben mij in aanraking gebracht met veel
schoons, waarnaast mijn eerste ontdekking verbleekte, boeken van een
fijneren geest, die mij een diepe ontroering gaven; maar geen enkel
dichtwerk was mij ooit zulk een openbaring als deze bladzijde van
dit onvergetelijke boek in die onvergetelijke kamer.
De eerste der balladen, waarin Lockhart het onderwerp van de Infantes
van Lara behandelt, (want het gedicht, waarvan zooeven sprake was,
volgt op deze ballade) is getiteld: »De zeven Hoofden«, en beschrijft
den moord van de ongelukkige prinsen. Uit de Historia de España van
Juan de Marinia (1537-1624) leeren wij, dat in het jaar 986 Ruy
Velásquez, Heer van Villaren, te Burgos in het huwelijk trad met
Donna Lombra, een jonkvrouw van hooge geboorte. Deze gebeurtenis
werd met schitterende feesten gevierd, en onder de gasten bevonden
zich Gustio González, Heer van Salas en van Lara, en zijne zeven
zonen. Deze jongelingen uit het geslacht der Graven van Castilië,
waren bekend om hun grooten moed en ridderlijkheid, en allen waren
zij op denzelfden dag tot ridder geslagen.
Nu wilde het ongeluk, dat er een twist ontstond tusschen González,
den jongsten der zeven broeders, en een zekeren Alvarez Sanchez,
een familielid der bruid. Donna Lombra achtte zich beleedigd, en
toen de jonge ridders haar te paard naar het kasteel van haar gemaal
geleidden, gaf zij, om zich te wreken, één harer slaven het bevel,
González een wilde komkommer, gedoopt in bloed, naar het hoofd
te werpen, een zware beleediging en een hevige smaad, volgens de
toenmaals in Spanje heerschende gewoonten en opvattingen. De verborgen
beteekenis van deze beleediging doet hier niets ter zake. Maar wat
ook de bedoeling ervan moge geweest zijn, de jonkvrouw, wier oogen
gesloten waren voor de ruwheid van de eeuw, waarvan zij een sieraad
was, vernederde zichzelf door deze daad van groote onbeschaafdheid
meer, dan dat zij het haar vijand deed. Nadat de slaaf haar bevel had
opgevolgd, zocht hij bescherming tegen de woede der jonge ridders aan
de zijde zijner meesteres. Maar het hielp hem niets, want de beleedigde
Infantes doodden hem »in de plooien van het feestgewaad der bruid.«
Ruy Velásquez, die in vreeselijke woede ontstak over hetgeen hij als
een beleediging zijn bruid en dus ook hemzelf aangedaan, beschouwde,
besloot tot een vreeselijke wraakneming. Maar hij verborg zijn plan op
listige wijze voor de jonge edellieden en gedroeg zich tegenover hen,
alsof er niets ernstigs gebeurd was. Eenigen tijd daarna belastte
hij Gustio González, den vader van de zeven jonge ridders, met een
zending naar Cordova. Het doel dezer reis was schijnbaar geld voor
hem in ontvangst te nemen van den schatplichtigen Moorschen Koning
dezer stad; maar Velásquez gaf Gustio een brief mede, die in het
Arabisch geschreven was, een taal, die hij niet lezen kon, en waarin
den Saraceenschen bevelhebber verzocht werd, den boodschapper te
dooden. Maar de Moor was blijkbaar menschlievender dan de Christen,
en inplaats van te voldoen aan het verzoek, zette hij den niets kwaads
vermoedenden afgezant in de gevangenis.
Om zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen, deed Velásquez een
schijninval in het Moorsche rijk, waarbij hij zich liet vergezellen
door de Infantes van Lara en tweehonderd hunner volgelingen. Met
waarlijk duivelsche slimheid slaagde hij erin, hen in een hinderlaag
te lokken. Aan alle kanten omringd door Saraceensche troepen, besloten
zij hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Zij stonden rug aan rug,
en richtten een gruwelijk bloedblad onder de Mooren aan; en één voor
één vielen zij, verslagen maar niet overwonnen. Hunne hoofden werden
door den Moorschen Koning aan Velásquez gezonden als een pand van
vriendschap, en zij werden in het openbaar vertoond voor de oogen van
hem en den rampzaligen vader, die was vrijgelaten, opdat Velásquez
zich zou kunnen verheugen in den aanblik van zijn smart. Toen hij
op deze wijze voldaan had aan zijn wraaklust, gaf hij den wanhopigen
vader toestemming naar zijn eenzame haard terug te keeren.
Maar Ruy Velásquez zou zijn gerechte straf niet ontgaan. Terwijl
Gustio González zich in Moorsche gevangenschap bevond, had hij
liefdesbetrekkingen aangeknoopt met de zuster van den Koning van
Cordova, en uit deze verbintenis was een zoon, Mudara, geboren. Toen
de knaap den leeftijd van veertien jaren bereikt had, ging hij, op
aandringen van zijn moeder, op zoek naar zijn vader; en toen hij hem,
die nu reeds een man op hoogen leeftijd was, gevonden had, hoorde hij,
door welk een verraderlijken daad zijne zeven broeders om het leven
waren gekomen. Vastbesloten tot wraak, wachtte hij rustig zijn tijd
af, en toen hij ter gelegenheid van een jachtpartij Ruy Velásquez
ontmoette, doodde hij hem met eigen hand. Daarna verzamelde hij een
troep dappere mannen om zich heen, en omsingelde met hen het kasteel
Villaren; hij nam een vreeselijke wraak op Donna Lombra, die hij
liet steenigen en op den brandstapel ter dood brengen. Na verloop
van tijd werd hij door de echtgenoote zijns vaders, Donna Sancha,
als haar zoon aangenomen, en zij erkende hem als erfgenaam van zijn
vaders bezittingen.
Wij hebben reeds gewezen op de boeiende manier, waarop de »Wraak
van Mudara« werd beschreven. De ballade uit Lockhart's verzameling,
waarin de rampzalige vader de zeven hoofden zijner vermoorde zonen
aanschouwt, staat lang niet op dezelfde hoogte, wat betreft de kracht
van uitdrukking.
»Mijn lieve, dappre jongens,« sprak Lara diep bedroefd.
»Hoe vreeslijk wordt uw vader op dezen dag beproefd;
De zeven liefste knapen, die Spanje ooit bracht voort
Zijn door die laffe handen verraderlijk vermoord.«
-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
Zacht streelde hij de hoofden, ze kussend keer op keer,
En op de blonde lokken vielen zijn tranen neer;
Hij sloot hun doode oogen met sidderende hand,
Kuste de bleeke lippen, door droefheid overmand.
»Waart gij naast mij gevallen in glorierijken strijd,
Uw vader had geen tranen van zwakheid dan geschreid.
O, waart gij toch gestorven den schoonen heldendood,
De speer omhoog geheven, van Moorenbloed nog rood!«