Deze ballade heeft tot onderwerp den eisch van den Moorschen Vorst
Abderahman, dat hem jaarlijks honderd Christenmaagden zouden worden
gebracht. Koning Ramiro weigerde aan dezen schandelijken eisch te
voldoen en trok ten strijde tegen den Moor. Twee dagen lang werd
er gevochten bij Alveida en aan het einde van den eersten dag had
het er allen schijn van, dat de Saracenen tengevolge van de strenge
discipline die in hun leger heerschte, de overwinning zouden behalen
over de Castilianen. Maar in den nacht verscheen de schutspatroon
van Spanje, St. Jago, den Koning in den droom, en hij beloofde hem
voor den volgenden dag zijn bijstand op het slagveld. Des morgens
werd de strijd hervat, en de Heilige voerde, zooals hij beloofd had,
het Spaansche leger aan, zoodat de Saracenen verslagen werden. Daarna
werd de cijns der maagden nooit meer betaald.
De vertaling van Lockhart blijft ver beneden het oorspronkelijke
gedicht, en Kelly wijdt er dan ook slechts weinig woorden aan.