De titel Romancero General werd gegeven aan verscheiden verzamelingen
van Spaansche liederen en verhalende berijmde romances, die in de
zeventiende eeuw en later zijn uitgegeven. Alleen de oudere hiervan
komen in aanmerking voor een nadere beschouwing. De eerste bundel
der verzameling van Miquel de Madrigal verscheen in 1604; een ander
werk, dat meer dan duizend romances bevat, en dat denzelfden naam
draagt, werd in hetzelfde jaar uitgegeven. Zeer belangrijk is ook de
verzameling van Pedro de Flores (1614). Dit is een bloemlezing, die
blijkbaar is samengesteld door een boekhandelaar, maar dat doet niets
af aan de waarde van het geheel; onjuist is echter de bewering van
den uitgever, dat deze verzameling alle Spaansche romanceros bevat,
want wij vinden er geen enkel gedicht uit de Cancionero General
in. Al deze bundels bevatten een groot aantal liefdesliederen van de
soort waarvan de Cancionero General er zoovele geeft; maar deze zijn
voor ons niet van groote beteekenis, en onze belangstelling gaat
meer uit naar de echte romanceros. Deze stammen voor het grootste
gedeelte uit de vijftiende eeuw, en zij handelen voornamelijk over
de burgeroorlogen van Granada, het laatste Moorsche Vorstendom in
Spanje, en over de heldhaftige en ridderlijke avonturen van Moorsche
ridders. Het is in dit werk, dat wij voor het eerst een Moorsch element
in de Spaansche letterkunde waarnemen, waarover wij reeds in een vorig
hoofdstuk spraken; maar daarmede willen wij volstrekt niet zeggen,
dat deze gedichten een navolging waren van Moorsche poëzie. Maar er
zijn ook vele Castiliaansche onderwerpen en verhalen in te vinden,
zooals alles wat betrekking heeft op Roderick, Bernaldo de Carpio,
Fernán González, de Infantes van Lara en de Cid. De meeste dezer
verhalen zijn geschreven door menschen uit het volk, de laatste
vertegenwoordigers van het geslacht der jùglares, die de cantares de
gesta [24] hadden gedicht of voorgedragen.
Van alle moderne critici is James Fitzmaurice Kelly zeker wel degeen,
die het best op de hoogte is, waar het de romancero betreft. In
zijn knap werk over Spaansche letterkunde voert hij ons door de
belangrijkste provincies van het rijk der Spaansche dichtkunst,
en wijdt hij aan de romancero ongeveer veertig bladzijden, die,
zoowel om het kritisch oordeel als om de conclusies, waartoe hij komt,
interessant zijn. Hij put zijn stof uit Lockhart's Spaansche Balladen,
en levert een geestige kritiek op de verzameling van den Schotschen
vertaler. Een betere handleiding voor den Engelschsprekenden lezer
zou moeilijk gevonden kunnen worden, want het boek van Lockhart is
algemeen bekend, en werd in den tijd van Koningin Victoria in de
woning van bijna elk ontwikkeld Engelschman aangetroffen. Wij zullen
dus het voorbeeld van Kelly volgen, en uit de vertalingen van Lockhart
de balladen, die ons het belangrijkst voorkomen, wat het onderwerp
en de bewerking betreft, aan een nadere beschouwing onderwerpen. In
navolging van Depping verdeelt Lockhart zijn hoofdstuk over de
balladen in drie paragraphen: een Historisch, een Moorsch en een
Romantisch gedeelte. Met de eerste twee groepen, of juister gezegd,
met de onderwerpen daarvan, nl. Koning Roderick en Bernaldo de Carpio,
hebben wij in een vorig hoofdstuk reeds kennis gemaakt.