Somber, tragisch en vol afwisseling is de geschiedenis van Graaf
Alarcos, een romance van een onbekend schrijver. Zij werd in het
Engelsch vertaald door Lockhart en door Bowring, en beide vertalingen
hebben veel overeenkomst met elkaar, daar de bewerkers grooten eerbied
toonden voor den geest van het origineel. De romance begint met den
eenvoud, die de ware tragedie kenmerkt. De Infante Soliza, een dochter
van den Koning van Spanje, was in het geheim gehuwd met Graaf Alarcos,
maar hij had haar verlaten terwille van een andere vrouw, bij wie
hij verscheidene kinderen had. In haar wanhoop en schaamte over haar
verleiding, trok de ongelukkige prinses zich van de wereld terug,
en bracht hare mooiste levensjaren in groote droefheid door. Haar
koninklijke vader, die niets van dit geheime huwelijk wist, vroeg
haar naar de oorzaak van haar leed, en zij antwoordde hem, dat zij
treurde omdat zij niet gehuwd was zooals andere vrouwen van haar rang.
»Dochter«, antwoordde de Koning, »dat is mijn schuld niet. Heeft de
edele Prins van Hongarije U niet ten huwelijk gevraagd? Ik ken in
Spanje geen edelman, die zoo hoog in rang is, dat hij u zou kunnen
huwen, behalve Graaf Alarcos, en deze is reeds getrouwd.«
»Helaas«, zeide de Infante, »het is juist Graaf Alarcos die mijn hart
gebroken heeft, want hij had gezworen, mij te huwen en hij beloofde
mij zijn trouw, lang voordat hij met een ander in het huwelijk trad.«
Geruimen tijd zat de Koning in gedachten verzonken; eindelijk sprak
hij: »Groot is uw schuld, mijn dochter, want nu is het koninklijk
geslacht van Spanje in de oogen van iedereen geschandvlekt.«
Toen werd de ziel der Infante bevangen door moorddadige jalousie,
en zij riep uit: »Maar de Gravin kan sterven! Moet er schande over
mij komen, opdat zij gelukkig kan leven? Strooi het bericht uit, dat
ziekte een eind aan haar leven gemaakt heeft, dan kan Graaf Alarcos
nog met mij trouwen.«
Wanhopig over de schande zijner dochter, noodigde de Koning Alarcos
op een feestmaal uit, en toen zij alleen waren, begon hij over zijn
misdaad tegenover de Infante.
»Is het waar, Don Alarcos«, vroeg hij, »dat gij mijn dochter trouw
beloofd hebt, en dat gij haar hebt bedrogen? Luister dan goed
naar mij: Uw vrouw neemt de plaats in, die mijn dochter toekomt:
zij moet dus sterven. Neen, ga niet weg! Verspreid het bericht, dat
zij aan een ernstige ziekte gestorven is, en dan moet gij de Infante
huwen. Gij hebt schande gebracht over uw Koning, en hij eischt van
u het eerherstel, dat gij bij machte zijt te geven.«
»Ik kan niet ontkennen, dat ik de Infante bedrogen heb«, antwoordde
Alarcos. »Maar ik smeek u, heb medelijden, en spaar mijn onschuldige
vrouw. Straf mij zoo zwaar als gij wilt voor mijn misdaad, maar tref
mijn vrouw niet.«
»Het is onmogelijk«, antwoordde de strenge oude Koning. »Ik zeg u, dat
zij sterven moet, en dat nog dezen nacht. Wanneer het wapenschild van
een Koning bevlekt is, doet het er niet toe, of het bloed, dat deze
vlek moet uitwisschen, schuldig of onschuldig is. Ga heen, en volg
mijn bevel op, of gij zult uw misdaad met uw leven betalen.«
Beangst door de gedachte aan een verradersdood, want zulk een einde
was het vreeselijkste, wat een Castiliaansch edelman zich kon denken,
stemde Alarcos erin toe, het bevel des Konings uit te voeren, en hij
reed naar huis, wanhopig, en gekweld door het vreeselijkste berouw. De
gedachte, dat hij de vrouw zou moeten dooden, die hij zoo innig lief
had, de moeder zijner drie mooie kinderen, maakte hem waanzinnig
van smart; en toen hij haar bij de poort van zijn kasteel ontmoette,
vergezeld van hare kinderen, en zoo onverholen toonende, hoe verheugd
zij was over zijn terugkeer, trok hij zich uit haar liefkoozing terug,
en hij kon slechts stamelen, dat hij slecht nieuws had, dat hij haar
in haar kamer zou mededeelen.
Zij nam haar jongste kind bij de hand, en bracht hem naar hare
vertrekken, waar het avondmaal was neergezet. Maar Graaf Alarcos kon
eten noch drinken, en hij legde het hoofd op de tafel en schreide,
alsof zijn hart zou breken. Toen herinnerde hij zich zijn vreeselijk
voornemen, hij grendelde de deuren, en plaatste zich met overelkaar
geslagen armen voor zijn vrouw, om zijn zonde te bekennen.
»Lang geleden heb ik een jonkvrouw liefgehad,« zeide hij. »Ik beloofde
haar trouw, en sloot een geheim huwelijk met haar. Zij is de dochter
des Konings. Zij eischt mij voor zich op, en wil, dat ik mijn belofte
aan haar nakom. De Koning, wee mij, dat ik het zeggen moet! heeft
bevolen, dat gij sterven moet, en dat nog dezen avond.« »Wat,« riep de
gravin verschrikt, »is dit de belooning voor mijn trouwe liefde voor u,
Alarcos? Waarom moet ik sterven? O, zend mij terug naar mijn ouderlijk
huis, waar ik in vrede en vergetelheid leven kan, en mijn kinderen
kan opvoeden, zooals ik dat tegenover uwe kinderen verplicht ben.«
»Het is onmogelijk,« antwoordde de rampzalige Graaf; »ik heb mijn
woord gegeven.«
»Ik heb geen vrienden in dit land,« riep de ongelukkige vrouw uit,
»maar laat mij tenminste mijne kinderen kussen, voordat ik sterf.«
»Gij moogt het kleintje, dat aan uw borst rust, omhelzen,« kermde
Alarcos; »de andere kinderen moogt gij niet meer zien. Maak u gereed
om te sterven.«
De veroordeelde Gravin kuste haar kindje, prevelde een Ave, stond op
en smeekte haar hardvochtigen echtgenoot, goed voor de kinderen te
zijn. Zij schonk hem vergiffenis, maar legde op den Koning en zijn
dochter de vreeselijke vloek, die in de middeleeuwen onder het volk
bekend was als Het Gericht der Stervenden, waarvan zoo menigmaal
werd gebruik gemaakt door hen, die onschuldig ter dood veroordeeld
waren. Door middel van deze vervloeking riep het slachtoffer zijn
moordenaars op, om binnen dertig dagen met hem voor Gods troon
te verschijnen, om zich voor het aangezicht van hun Schepper te
verantwoorden over hun misdaad.
De Graaf worgde zijn vrouw met een zijden zakdoek en toen de
afschuwelijke daad volbracht was, en zij verstijfd terneder lag,
riep hij zijne vasallen te zamen, en gaf hij zich over aan zijn
groote droefheid.
Binnen twaalf dagen stierf de wraakgierige Infante onder vreeselijke
pijnen; acht dagen later gaf de hardvochtige Koning den geest, en
voordat de maand voorbij was, overleed ook Graaf Alarcos. Wreed
en tragisch als een Grieksch treurspel is de geschiedenis van
Alarcos. Maar bij het lezen ervan, en onder den indruk van de
diepe ontroering, die zich daarbij van ons meester maakt, kunnen
wij er moeilijk een legende in zien, en wij weten niet, voor wie
wij den grootsten afschuw gevoelen: voor de wraakgierige Prinses,
den wreeden Koning of den laffen echtgenoot, die zijn liefhebbende
en trouwe gade opofferde aan het merkwaardige begrip van »eer«,
dat onder de edellieden van dien tijd heerschte, en waarvoor bijna
evenveel menschen in den dood zijn gegaan, als voor iederen anderen
vorm van bijgeloof of fanatisme.