Gayferos is een geliefde figuur in de Spaansche romantiek; zijn
geschiedenis hangt samen met den cyclus van Karel den Groote, en werd
opgenomen in de pseudo-kroniek van Aartsbisschop Turpinus. Ofschoon hij
een Fransch ridder was, schijnt hij bijzonder aantrekkelijk te zijn
geweest voor den Castiliaanschen geest, hetgeen hij waarschijnlijk
te danken had aan de omstandigheid, dat hij zeven jaren heeft gezocht
naar zijn vrouw, die zich in Spaansche gevangenschap bevond. Gayferos
van Bordeaux was een bloedverwant van Roland, den onoverwinnelijken
held uit de Chansons de gestes, en hij was gehuwd met Melisenda,
een dochter van Karel den Groote. Kort na haar huwelijk werd de dame
geschaakt door de Saracenen, en in een versterkte toren te Saragossa
opgesloten. Gayferos was vastbesloten haar uit de macht der heidenen te
bevrijden, en dus begaf hij zich op weg om zijn vrouw te zoeken. Maar
na zeven lange jaren was hij er nog niet in geslaagd de plaats te
vinden, waar zij gevangen zat. Hij reisde van provincie naar provincie,
van kasteel naar kasteel in het zonnige Spanje, totdat hij eindelijk,
ontroostbaar en terneergeslagen, naar Parijs terugkeerde. In de
hoop, de herinnering aan zijn verlies te dooden, stortte Gayferos
zich in de vermaken van het Hof. Op zekeren dag zag Karel de Groote
hem met den admiraal des Keizers dobbelen, en hij zeide tot hem:
»Hoe nu, Gayferos, verspilt gij uw tijd met kinderachtige spelen,
terwijl uw vrouw, mijn dochter, in gevangenschap zucht? Indien gij
even bekwaam waart in het hanteeren der wapenen als in het dobbelen,
zoudt gij u haastig op weg begeven, om uw vrouw te bevrijden.« Deze
terechtwijzing van den Keizer was onverdiend, want hij had juist
gehoord, waar Melisenda gevangen gehouden werd, terwijl Gayferos nog
niet bekend was met haar verblijfplaats. Maar toen hij van Karel den
Groote den naam van het kasteel gehoord had, begaf hij zich haastig
naar zijn oom Roland, en vroeg hem wapenen en een paard.
Toen Roland de verslagenheid van zijn neef zag, gaf hij hem zijn
eigen beroemde wapenen en zijn liefste paard; en zóó uitgerust, reisde
Gayferos ten tweeden male naar Spanje. Eenigen tijd daarna kwam hij
te Saragossa aan, en daar hij bij de poorten niet werd tegengehouden,
reed hij regelrecht naar het kasteel, waar zijn vrouw gevangen werd
gehouden. Zij ontdekte hem van uit haar venster, en smeekte hem,
indien hij een Christelijk ridder was, eenig bericht van haar aan
haar echtgenoot Gayferos te brengen:
»Zeven jaren in deez' toren heb ik Gayferos gewacht,
Die in vreugd, bij dans en spelen heeft die jaren doorgebracht,
Die zijn gade Melisenda heeft vergeten tot haar smart;
Toch draag ik zijn beeld nog immer in mijn liefdevolle hart.«
Maar hij richt zich op in 't zadel: »Eedle Vrouwe, klaag niet meer,
Hier beneden voor uw venster staat uw echtgenoot en heer.
Spring in 't zadel uit den toren! in mijn armen, aan mijn borst,
Voer 'k u veilig uit de landen van den wreeden Moorschen vorst.«
Melisenda sprong uit het venster in de armen van haar trouwen ridder,
die haar in het zadel hief en spoorslags met haar wegreed om de
poorten der stad te bereiken. Maar een Moor, die getuige was geweest
van de ontvoering, blies alarm, en de vluchtelingen werden spoedig
achtervolgd door zeven colonnes ruiters.
De afstand tusschen de vluchtelingen en de Mooren werd steeds kleiner,
maar op het kritieke oogenblik herkende Melisenda het paard waarop
zij reden als dat van Roland, en zij herinnerde zich, dat wanneer
men zijn buikriem losmaakte, zijn borstharnas opende en de sporen in
zijne zijden drukte, men hem zonder eenig gevaar voor de berijders
over elke hindernis kon laten heenspringen. Haastig deelde zij haar
echtgenoot dit mede, en toen hij op haar aanwijzing gehandeld had,
stuurde hij het ros naar de stadsmuur, waar het met het grootste gemak
over heensprong. Toen de Mooren dit zagen, gaven zij natuurlijk de
verdere vervolging op. Kort daarna keerden Gayferos en zijn vrouw te
Parijs terug, en hun verder leven was even gelukkig als hun verleden
droevig was geweest.