Calaynos, een van de beroemdste Moorsche ridders, is de held van
verscheidene berijmde romances. Maar de meest bekende daarvan is de
Coplas de Calainos, waarvan Lockhart zulk een goed geslaagde vertaling
heeft geleverd in zijn Spaansche Balladen.
De Moorsche ridder, zoo verhaalt de romance, was verliefd op een
jonkvrouw van zijn eigen ras, en om haar gunst te winnen, bood hij
haar uitgebreide landerijen en ontzaglijke rijkdommen aan. Maar in
haar overmoed weigerde zij deze eenvoudige hulde, en zij eischte
van hem de hoofden van drie der dapperste ridders der Christenheid:
Rinaldo, Roland en Olivier! Calaynos kuste haar tot afscheid en begaf
zich oogenblikkelijk op weg naar Parijs. Daar aangekomen ontplooide
hij de Moorsche banier voor de St. Janskerk en blies luid op zijn
hoorn, waarvan Karel de Groote en zijne twaalf ridders dadelijk den
klank herkenden, terwijl zij op jacht waren in het woud, dat eenige
mijlen van de stad verwijderd was. Korten tijd daarna ontmoette de
koninklijke stoet een Moor, en de Keizer vroeg hem uit de hoogte,
hoe hij het durfde wagen zijn groenen tulband binnen de grenzen van
zijn rijk te vertoonen. De Moor antwoordde, dat hij in dienst was
van Calaynos, die Karel den Groote en al zijne ridders uitdaagde,
en die hun aanval in Parijs afwachtte. Toen zij terugreden om met den
overmoedigen heiden te strijden, stelde Karel de Groote Roland voor,
dat deze Calaynos zou tuchtigen; maar de trotsche ridder meende, dat
dit de taak behoorde te zijn van een of anderen saletjonker, daar hij
het beneden zijn waardigheid vond met één enkelen Moor te vechten. Heer
Boudewijn, de neef van Roland, blufte, dat hij den groenen tulband van
Calaynos in het stof zou laten rollen; hij reed in galop vooruit en
bevond zich spoedig tegenover den strengen Moorschen Vorst, die hem
minachtend een plaats als page aanbood, in dienst van zijn geliefde.
Boudewijn was woedend, toen hij deze woorden hoorde; hij slingerde
Calaynos zijn uitdaging in het gezicht, en riep hem toe zich gereed
te maken tot den strijd. De Moor wierp zich in het zadel, richtte
zijn lans op de borst van zijn tegenstander, reed in vollen draf op
Boudewijn toe, en wierp hem ter aarde, waarna hij hem dwong om genade
te smeeken. Maar Roland, de oom van den jeugdigen ridder, was in de
nabijheid; hij zwaaide zijn geweldig zwaard en riep Calaynos toe, dat
hij zich moest wapenen voor een nieuwen strijd. »Wie zijt gij?« vroeg
Calaynos. »Gij draagt een kroontje op Uw helm, maar ik ken U niet.«
»Zwijg, ellendige Moor!« antwoordde Roland. »Uw laatste uur is
geslagen«; en dit zeggende, reed hij in vollen draf op zijn vijand
toe. De trotsche heiden viel ter aarde, en Roland sprong van zijn
paard, en boog zich met getrokken zwaard over hem heen.
»Hoe heet gij, heiden?« vroeg hij, »spreek of sterf.«
»Heer,« antwoordde Calaynos, »ik dien een trotsche Spaansche jonkvrouw,
die geen ander geschenk van mij wilde ontvangen dan de hoofden van
de drie edelste paladijnen van Karel den Groote.«
»Zoo,« lachte Roland, »dan zijt gij een groote gek; zij kan
u onmogelijk hebben liefgehad, als zij u bevolen heeft ons te
trotseeren. Gij zijt hierheen gekomen om te sterven«; en met deze
woorden sloeg hij hem het hoofd af, en hij vertrapte den helm met de
halve maan. »Deze maan zal nooit meer opgaan boven de Seinevlakte,«
riep hij uit, terwijl hij zijn zwaard in de scheede stak.
Zoo werd Calaynos bedrogen door den overmoed van een jonkvrouw
en door zijn eigen trots. Deze geschiedenis is natuurlijk zeer
onwaarschijnlijk, want het is niet denkbaar, dat een Moorsch ridder
ooit met zulk een opdracht naar Parijs is gekomen. Maar het verhaal
draagt een zeer menschelijk karakter en is niet zonder zedelijke
strekking.