Ik neem deze drie romances te zamen in dit hoofdstuk, niet alleen
omdat zij blijkbaar bij het publiek van het Oude Spanje in zulk
een hooge gunst hebben gestaan, maar ook, omdat zij een juister
beeld geven van den smaak en de gezindheid der bevolking, dan andere
romances van dezelfde soort; wanneer zij tenminste niet op zichzelf
een afzonderlijke groep vormden, wat ik altijd verondersteld heb op
grond van het feit, dat in alle Castiliaansche verhandelingen over
de romance, deze drie gedichten te zamen worden vermeld. Hieruit
meen ik te mogen opmaken, dat deze drie romances een eigen genre
vertegenwoordigden. Zij ademen dien geest van ernst en strengheid,
die zoo kenmerkend is voor de zuiver Spaansche letterkunde, en
tenminste in één dezer drie gedichten vindt men zoo duidelijk de
atmosfeer van groote droefheid en van wreedheid, die slechts wordt
opgewekt door Latijnsche en Grieksche treurspelen. Want zelfs niet
de grootste meesters van het Noorden, Marlowe noch Massinger, Goethe
noch Shakespeare, zijn er in geslaagd, met zulke sombere kleuren hunne
tooneelen af te schilderen, als de Spanjaarden Calderon of Lope dat
hebben gedaan.