De tijd naderde, waarop de Koning de plaats zijner afzondering zou
verlaten, waar hij zoo menige vreeselijke verzoeking had weerstaan. Hij
volgde de richting van een wolk, die hem leiden zou, gordde zijne
lendenen en begaf zich op reis. Voordat de avond van den eersten
dag viel, kwam hij bij een andere kluizenaarswoning, waar hij bleef
overnachten. Na een reis van twee dagen bereikte hij een klooster,
waarvan de naam niet genoemd wordt in de kroniek, en dat bestemd was
zijn laatste rustplaats te zijn. De Abt van het klooster beval hem,
naar een bron te gaan, die zich in de nabijheid der hut bevond, die
hem als woonplaats werd aangewezen, en waar hij een gladden steen
zou vinden. Dezen moest hij optillen en hij zou daaronder drie kleine
slangen vinden, van welke de één twee koppen had. Deze tweehoofdige
slang moest hij in een flesch plaatsen en haar in het geheim voeden,
zoodat niemand van haar bestaan afwist; zij zou verborgen moeten
blijven, totdat zij groot genoeg zou zijn, om haar lichaam langs den
wand der flesch in drie kronkels te leggen en dan den kop naar buiten
te steken. Dan moest hij haar in een graf leggen en er zelf ontkleed
naast gaan liggen, want dit zou volgens den wil van God zijn boete
zijn; dit alles had een stem den Abt geopenbaard in de kapel van
het klooster.
Roderick volgde nauwgezet de voorschriften van den Abt op; hij
vond de slang en wachtte geduldig totdat het tweehoofdige dier in
de flesch tot vollen wasdom gekomen was. Toen ontkleedde hij zich
in tegenwoordigheid van den Abt, en zocht het graf op, waarin hij
zich nederlegde. Daarna nam de Abt een hefboom en plaatste daarop een
grooten steen. Nadat de Koning daar drie dagen gelegen had, terwijl de
Abt onder gebed de wacht hield, hief de slang hare koppen in de hoogte,
en begon met één kop zijn zondige natuur en met het andere zijn hart te
verslinden. Roderick lag onder vreeselijke kwellingen ter neder, maar
ten slotte doorboorde de slang het hart, waarop de Koning onmiddellijk
zijn geest aan God gaf, die in zijn Heilige Barmhartigheid hem in Zijn
Heerlijkheid opnam. En in zijn stervensuur begonnen alle klokken van
het klooster te luiden als werden ze door menschenhanden bewogen.
Zoo eindigt in den eigenaardigen geest van middeleeuwsche mystiek
het droevige verhaal van Don Roderick van Spanje. Wie zal de diepe
beteekenis verklaren van het slot dezer legende, tenzij men, zooals
Thomas Newton in zijn Notable History of the Saracens gelooft, »dat de
slang met de twee koppen beteekent zijn zondig en schuldig geweten?«
Requiescas in pace, Domine Roderice!