RODERICK'S LOT.

Er naderde echter uitkomst voor de Mooren, want de beide zonen van

Witiza, die de voornaamste posten in het Spaansche leger bekleedden,

scheidden zich plotseling van de troepen af. Dit veroorzaakte een

geweldige paniek. Roderick sprong op zijn strijdros Orelia, en

trachtte daarmede de Guadalquivir over te zwemmen, zijn diadeem en

vorstelijke kleederen op den oever achterlatende; maar het gelukte

hem niet den overkant te bereiken, en hij verdronk. Op aandringen van

Graaf Julianus rukte Tarik op naar Toledo, dat zich echter drie volle

maanden staande hield, en hij zond een leger uit om het koninkrijk

Granada te heroveren. Deze onderneming gelukte en Toledo gaf zich over,

nadat de Moorsche bevelhebber de inwoners verzekerd had, dat zij de

stad mochten verlaten met behoud hunner bezittingen, een belofte,

die trouw werd nagekomen. De Joden, die voornamelijk de heidensche

aanvallers hadden bijgestaan, werden rijkelijk door hen beloond, en zij

sloten een bondgenootschap met hen, dat bleef bestaan, totdat beiden

na verloop van tijd uit het land werden verdreven. Van Toledo zette

Tarik zijne veroveringstochten voort over Castilië en Leon en trok

hij in Noordelijke richting verder tot aan de stad Gijon in Asturië,

waar zijn voortgang werd gestuit door de Golf van Biskaje. In enkele

maanden was geheel Spanje feitelijk een Mohamedaansche provincie

geworden, en alleen in de valleien van Asturië hield een troepje

Gothische soldaten nog stand tegen den overwinnenden Moor.

Nu mogen wij het pad der zuivere historie verlaten, om den meer

schilderachtigen, zij het dan ook minder veiligen weg der romance te

gaan bewandelen. De kronieken vermelden de gruwelijke verdorvenheid van

Don Roderick, en zij verhalen hoe de door Julianus aangestookte inval

der Mooren den karakterloozen Koning als een donderslag trof. De strijd

met de Saracenen wordt beschreven, en de vlucht van Roderick wordt in

de somberste kleuren afgeschilderd. Maar zooals de volksoverlevering

weigerde te gelooven, dat Arthur op dien gedenkwaardigen dag bij

Camelot sneuvelde, of dat Jacob IV van Schotland op het slagveld van

Flodden, en Harold bij Hastings hun einde vonden, zoo weigerde zij

ook den dood van Roderick aan te nemen. Het is den mensch aangeboren,

zich te verzetten tegen het denkbeeld, dat een beroemd legeraanvoerder

werkelijk is heengegaan; en zijn er, zelfs nog in onzen tijd, niet

legenden in omloop geweest met betrekking tot den diep betreurden

Lord Kitchener?

De overlevering vermeldt dan, hoe Roderick, toen hij op het punt stond

zich in de golven der Guadalquivir te storten, plotseling beschenen

werd door een hemelsch licht en hoe een innerlijke stem hem bezwoer

te blijven leven, om boete te doen voor zijne zonde. Hij volgde den

raad van deze stem op, ontdeed zich van de teekenen zijner koninklijke

waardigheid, trok de eenvoudige kleederen van een gesneuvelden boer

aan, en verliet heimelijk het slagveld. Gedurende den geheelen nacht

liep hij door, gekweld door de vreeselijkste visioenen van goddelijke

wraak. Waarheen hij den blik wendde, overal zag hij de gruwelijke

gevolgen van zijn nederlaag. En verder strompelende over de slagvelden,

werd hij diep getroffen door de tooneelen van verwoesting. Na zeven

dagen kwam hij eindelijk bij het klooster Canlin aan, dat gelegen

was aan de oevers van de rivier Ana, in de nabijheid van Minda. Het

klooster was geheel verlaten, maar de rampzalige vluchteling wierp

zich voor het altaar neder, om in gebed zijn noodlot af te wachten,

want hij was er vast van overtuigd, dat de heidenen hem zouden opsporen

en dooden. Hij voedde de lampen met olie, en verliet slechts zoo nu en

dan het altaar, om te zien of de Saracenen naderden. Hij lag voor het

crucifix geknield, en omvatte de voeten van het beeld des Verlossers,

terwijl hij bloedige tranen van het diepste berouw schreide. Terwijl

hij daar in het stof gebogen terneder lag, bemerkte hij, dat iemand de

kapel was binnengetreden, en toen hij de oogen opsloeg, in de hoop,

dat het kromme zwaard van een Moorsch soldaat hem den verlossenden

dood zou brengen, zag hij tot zijn verbazing een monnik, die hem

vriendelijk toesprak en hem zeide, dat hij naar het klooster, dat hem

vijf en zestig jaren tot woonplaats had gediend, was teruggekeerd in

het vertrouwen, dat hij zou mogen sterven door de hand van een heiden,

en dat hij op deze wijze den martelaarskroon zou verwerven.

Roderick openbaarde den monnik wie hij was, en de vrome man, die diep

getroffen was door den toon van innig berouw die uit zijne woorden

sprak, knielde naast hem neder, en verleende den rampzaligen vorst

gedurende den langen nacht geestelijken bijstand. Hij zeide hem, dat

hij moest blijven leven, werkende aan het heil zijner ziel; en toen

de morgen aanbrak verlieten de oude priester en hij, die gisteren

nog een der machtigste koningen van het Christendom was geweest,

de kapel, om hun moeilijken weg te gaan.

De vrome monnik bracht den onttroonden Koning naar een hut, waar hij

hem verder geestelijken raad gaf en hij beval hem op deze plaats te

blijven, zoo lang dit God zou behagen. »Wat mij betreft«, sprak hij,

»over drie dagen zal ik uit deze wereld scheiden; dan moet gij mij

begraven, mijne kleederen aantrekken en tenminste een jaar hier blijven

om honger en koude en dorst te lijden uit liefde voor onzen Heer, opdat

Hij zich over u ontferme.« Zooals de kluizenaar voorspeld had, gaf hij

drie dagen later den geest. Roderick was diep bedroefd over zijn dood;

hij maakte zich dadelijk gereed om zijn laatste wenschen uit te voeren,

en groef met zijn bloote handen en met behulp van een boomtak een graf

voor den vromen monnik. Toen hij hem aan de aarde wilde toevertrouwen,

zag hij, dat de doode kluizenaar een papierrol in de hand had, die

beschreven was met raadgevingen omtrent zijn toekomstige levenswijze

in de kluizenaarshut. De onttroonde Koning las het geschrift met

groote aandacht, en hij besloot de aanwijzingen nauwkeurig te volgen.

Maar Satan was niet van plan den Koning ongehinderd te laten arbeiden

aan de redding zijner ziel, en hij verscheen hem dienzelfden nacht,

terwijl hij bezig was den kluizenaar in het graf te leggen. Hij kwam

in de gedaante van een priester, zijn gelaat was verborgen in de

monnikskap, terwijl een lange witte baard hem een eerwaardig voorkomen

gaf, en hij leunde op een stok, alsof hij kreupel was. Roderick dacht,

dat hij een vriend van den dooden kluizenaar was en wilde hem de

hand kussen, maar de Booze week achteruit en zeide: »Het zou niet

gepast zijn, wanneer een Koning de hand zou kussen van een eenvoudig

dienaar van God.« Toen de Koning bemerkte, dat zijn bezoeker bekend

was met zijne omstandigheden, hield hij den Duivel voor een heilige,

die zich op deze wijze aan hem openbaarde. »Helaas«, zeide hij, »ik

ben geen Koning, maar een ellendige zondaar, van wien het beter zou

zijn geweest indien hij nooit geboren ware, zooveel wee is over het

land gekomen door mijn misdaad.«

»Gij zijt niet zoo schuldig als gij wel meent«, antwoordde Satan,

»want de ramp, waarover gij spreekt, zou in ieder geval het land

getroffen hebben, God heeft het zoo gewild, en het was niet uw

schuld. Dit zijn niet mijn woorden, maar het is de geest van God,

die door mijn mond spreekt.« De Booze zeide daarna, dat hij den

langen weg van Rome te voet had afgelegd om Roderick in zijn strijd

bij te staan, en toen de Koning dit hoorde, was hij zeer verheugd en

luisterde met grooten eerbied naar de woorden, die Satan sprak en die

ten doel hadden den invloed van den dooden kluizenaar door allerlei

drogredenen te vernietigen. Maar toen de Koning den pseudo-heilige

verzocht hem te helpen bij het begraven van het stoffelijk omhulsel

van den kluizenaar, was hij zeer verbaasd, hem niettegenstaande zijn

voorgewende kreupelheid de vlucht te zien nemen.

Den volgenden middag kwam de duivel terug met een mand vol van de

heerlijkste spijzen en dranken. Maar de doode monnik had Roderick

bevolen, niets anders te eten dan het grove brood, dat de herders

hem éénmaal per week zouden brengen; en gedachtig aan dit bevel,

weerstond hij den verleider. Het gesprek tusschen den Koning en Satan

wordt dan verder met de gebruikelijke middeleeuwsche langdradigheid

uitgewerkt, en is een getrouwe afspiegeling van de haarkloverij

en het theologische geredekavel van dien tijd. Maar zelfs van een

schrijver uit de middeleeuwen zou men hebben mogen verwachten, dat

hij het onderhoud van den Koning met den Heiligen Geest zou hebben

weggelaten, en wat dit betreft volsta ik dan ook met de vermelding,

dat op een woord van den Heiligen Geest de Booze ontvluchtte in zijn

ware gedaante van een vreeselijken duivel.

Legenden en Romances van Spanje · 第 95 / 165 题