HOOFDSTUK VII: RODERICK, DE LAATSTE DER GOTHEN.

Nog gistren was ik Spanje's Vorst--mijn rijk werd mij ontroofd.

Nog gistren in mijn heerlijk slot--waar leg ik nu mijn hoofd?

Waar gistren honderd pages nog zich bogen voor mij neer,

Daar dient vandaag d'onttroonden vorst geen enkle schildknaap meer.

Lockhart: Spaansche Balladen.

De tragische en rumoerige geschiedenis van de wijze, waarop Spanje

overging in de handen der Mooren, is stellig een onderwerp, dat waard

is behandeld te worden door een groot dichter; maar of het de nationale

trots beleedigde, of dat het Castiliaansche temperament er zich niet

door aangetrokken gevoelde, het is zeker, dat dit gedicht ongeschreven

bleef. Weinig geschiedkundige gebeurtenissen leenen zich zóó tot de

schildering der diepere menschelijke hartstochten als de episode,

die eindigde met het verraad van een geheel land uit persoonlijke

wraakzucht. Het betreft eenzelfde ramp als die, welke Aeschylus bewoog,

zijn ontroerend en grootsch drama Elektra te schrijven. Toch vindt men

deze geweldige gebeurtenis slechts beschreven in een dorre Spaansche

kroniek en in het onbeteekenende gedicht van Southey, Roderick, de

Laatste der Gothen, dat geïnspireerd is door een onware voorstelling

van dit gedeelte der geschiedenis. [23]

Voordat wij het romantisch materiaal nader beschouwen, dat begraven

ligt in De Kroniek van Roderick, met de Verwoesting van Spanje,

moeten wij eerst de geschiedenis van den ondergang van het Gothische

rijk in Spanje nagaan, met behulp van die gegevens, waarvan wij mogen

veronderstellen, dat zij ons betrekkelijk juist inlichten over het

geval. Deze gegevens vinden wij in de Algemeene Kroniek van Spanje

en in het werk van de Moorsche geschiedschrijvers. Waarschijnlijk

zijn de feiten, die betrekking hebben op deze treffende gebeurtenis,

in het kort als volgt:

Van het tijdstip af van de vestiging der Mahomedaansche Arabieren

in Mauretanië, had hun vloot herhaaldelijk de kusten bestookt van

Andalusië, onder welken naam het geheele Spaansche Schiereiland bij

hen bekend was. Er ontstond een vijandschap tusschen de Spaansche

Gothen en de Moorsche Arabieren, die niet slechts werd aangewakkerd

door het verschil van godsdienst, maar ook door de omstandigheid,

dat de vesting Ceuta in Mauretanië nog in Gothische handen was

gebleven. Deze buitenpost van het Gothische rijk werd behouden door

het beleid en den moed van Graaf Julianus, een beproefd veldheer,

die erin slaagde, de vesting te verdedigen tegen een geweldige

overmacht. Destijds heerschte er over Spanje een zekere Don Roderick,

die het recht op den troon blijkbaar niet door geboorte verkregen

had. Zijn voorganger Witiza had Rodericks vader, den gouverneur van

een of andere provincie, gedood, en hetzij om te voldoen aan zijn zucht

naar wraak, hetzij zuiver uit persoonlijke eerzucht, slaagde Roderick

erin, met voorbijgaan van de aanspraken der beide zonen van Witiza,

zelf den troon te bemachtigen. Waar echter de Koning der Gothen in

Spanje nog door de edelen van het land gekozen werd, is het zeer

goed mogelijk, dat Roderick op rechtmatige wijze den troon bestegen

heeft. Waarschijnlijk was Graaf Julianus een lid van de partij aan

welker hoofd de koninklijke broeders stonden en zocht hij, inziende dat

hij Roderick niet door wapengeweld van den troon zou kunnen stooten,

de hulp van diens Moorsche vijanden, om hem ten val te brengen.

De geschiedenis weigert echter terecht of ten onrechte aan te nemen,

dat slechts nuchtere politieke overwegingen Graaf Julianus tot

deze onwaardige daad brachten, en zij geeft een veel romantischer

verklaring van zijn verraderlijke handelwijze: Roderick zou dan een

slecht en ontaard vorst zijn geweest. Hij ontbrandde in een hevige

hartstocht voor Cava, de jonge en schoone dochter van Graaf Julianus,

en verleidde en onteerde haar. Woedend en wanhopig over de wandaad van

Roderick, besloot Julianus oogenblikkelijk tot een gruwelijke wraak;

hij stelde zich niet tevreden met de overgave van de vesting, die hij

zoo lang tegen een machtigen vijand verdedigd had, maar haalde Musa,

den Moorschen Koning of Satraap over, een inval te doen in Spanje;

en om zijn bondgenootschap met de heidenen nog te versterken, nam hij

zelfs hun godsdienst en hunne levensgewoonten aan. Hij lichtte Musa in

over de natuurlijke gesteldheid van zijn vaderland, legde den nadruk

op den weerloozen toestand er van, de losbandigheid en ontaarding

der soldaten, en het gebrek aan voldoende bewaking der steden. Musa

begreep, dat hem hier een gunstige gelegenheid geboden werd het

Arabische gebied uit te breiden, en hij vaardigde een gezantschap

af naar Walid, den Kalif en zijn leenheer, om hem zijn oordeel te

vragen over een dergelijke onderneming. Walid moedigde dit avontuur

zeer aan. Maar Musa was niet alleen een dapper en ondernemend soldaat,

maar ook een sluw en voorzichtig veldheer, en inplaats van een groote

vloot af te sturen op een land van welks legersterkte hij slechts

weinig afwist, stelde hij zich tevreden met in Juli van het jaar

710 een aanval te doen op de Spaansche kust, om als het ware eerst

poolshoogte te nemen van de krijgskunst zijner tegenstanders. De

expeditie bestond uit vijfhonderd man, die, nadat zij te Tarifa geland

waren, ongeveer achttien mijlen door Spaansch gebied naar het kasteel

en de stad van Julianus marcheerden. Daar voegden zich de trouwelooze

volgelingen van dezen edelman bij hen, en zonder eenigen tegenstand

te ondervinden keerden zij met buit beladen naar Afrika terug.

Aangemoedigd door het succes dezer eerste onderneming, brachten de

Saracenen nu een leger van vijfduizend man bijeen en zij landden

in het voorjaar van 711, onder het bevel van een zekeren Tarik,

op Spaanschen boden, op een plaats, die nog steeds den naam van hun

aanvoerder draagt, nl. Gibraltar; want Gebel al Tarik beteekent »De

Berg van Tarik«. Zij versloegen zonder veel moeite een Spaansche

legermacht onder Edeco. Maar Roderick, die nu ook begon in te zien,

dat zijn troon wankelde, riep zijne vasallen te zamen, wier aantal

bijna honderdduizend man moet hebben bedragen. Intusschen had Tarik

zijn leger versterkt, maar hij kon niet meer dan twaalfduizend Moorsche

soldaten aanmonsteren, bij welk leger zich een afdeeling Afrikanen en

afvallige Gothen voegde. De legers ontmoetten elkanders bij Cadix,

en de Gotische troepen werden aangevoerd door Roderick zelf, die

schitterend uitgedost in zijn vorstelijke kleedij van zilver- en

goudborduursel, achterover leunde in een kostbaren wagen, die door

witte muilezels getrokken werd. De Gothen overwonnen louter door

de overmacht van hun aantal, en bij het eerste samentreffen werden

zestienduizend hunner vijanden verslagen. Maar Tarik spoorde zijne

ontmoedigde troepen aan, door hen erop te wijzen, dat een terugtocht

onmogelijk was: »Vóór u is de vijand«, zeide hij, »achter u ligt de

zee. Waarheen zoudt gij vluchten? Volgt mij, broeders, ik zal dien

Koning der Gothen verdelgen of zelf ondergaan.«

Legenden en Romances van Spanje · 第 94 / 165 题