Nog gistren was ik Spanje's Vorst--mijn rijk werd mij ontroofd.
Nog gistren in mijn heerlijk slot--waar leg ik nu mijn hoofd?
Waar gistren honderd pages nog zich bogen voor mij neer,
Daar dient vandaag d'onttroonden vorst geen enkle schildknaap meer.
Lockhart: Spaansche Balladen.
De tragische en rumoerige geschiedenis van de wijze, waarop Spanje
overging in de handen der Mooren, is stellig een onderwerp, dat waard
is behandeld te worden door een groot dichter; maar of het de nationale
trots beleedigde, of dat het Castiliaansche temperament er zich niet
door aangetrokken gevoelde, het is zeker, dat dit gedicht ongeschreven
bleef. Weinig geschiedkundige gebeurtenissen leenen zich zóó tot de
schildering der diepere menschelijke hartstochten als de episode,
die eindigde met het verraad van een geheel land uit persoonlijke
wraakzucht. Het betreft eenzelfde ramp als die, welke Aeschylus bewoog,
zijn ontroerend en grootsch drama Elektra te schrijven. Toch vindt men
deze geweldige gebeurtenis slechts beschreven in een dorre Spaansche
kroniek en in het onbeteekenende gedicht van Southey, Roderick, de
Laatste der Gothen, dat geïnspireerd is door een onware voorstelling
van dit gedeelte der geschiedenis. [23]
Voordat wij het romantisch materiaal nader beschouwen, dat begraven
ligt in De Kroniek van Roderick, met de Verwoesting van Spanje,
moeten wij eerst de geschiedenis van den ondergang van het Gothische
rijk in Spanje nagaan, met behulp van die gegevens, waarvan wij mogen
veronderstellen, dat zij ons betrekkelijk juist inlichten over het
geval. Deze gegevens vinden wij in de Algemeene Kroniek van Spanje
en in het werk van de Moorsche geschiedschrijvers. Waarschijnlijk
zijn de feiten, die betrekking hebben op deze treffende gebeurtenis,
in het kort als volgt:
Van het tijdstip af van de vestiging der Mahomedaansche Arabieren
in Mauretanië, had hun vloot herhaaldelijk de kusten bestookt van
Andalusië, onder welken naam het geheele Spaansche Schiereiland bij
hen bekend was. Er ontstond een vijandschap tusschen de Spaansche
Gothen en de Moorsche Arabieren, die niet slechts werd aangewakkerd
door het verschil van godsdienst, maar ook door de omstandigheid,
dat de vesting Ceuta in Mauretanië nog in Gothische handen was
gebleven. Deze buitenpost van het Gothische rijk werd behouden door
het beleid en den moed van Graaf Julianus, een beproefd veldheer,
die erin slaagde, de vesting te verdedigen tegen een geweldige
overmacht. Destijds heerschte er over Spanje een zekere Don Roderick,
die het recht op den troon blijkbaar niet door geboorte verkregen
had. Zijn voorganger Witiza had Rodericks vader, den gouverneur van
een of andere provincie, gedood, en hetzij om te voldoen aan zijn zucht
naar wraak, hetzij zuiver uit persoonlijke eerzucht, slaagde Roderick
erin, met voorbijgaan van de aanspraken der beide zonen van Witiza,
zelf den troon te bemachtigen. Waar echter de Koning der Gothen in
Spanje nog door de edelen van het land gekozen werd, is het zeer
goed mogelijk, dat Roderick op rechtmatige wijze den troon bestegen
heeft. Waarschijnlijk was Graaf Julianus een lid van de partij aan
welker hoofd de koninklijke broeders stonden en zocht hij, inziende dat
hij Roderick niet door wapengeweld van den troon zou kunnen stooten,
de hulp van diens Moorsche vijanden, om hem ten val te brengen.
De geschiedenis weigert echter terecht of ten onrechte aan te nemen,
dat slechts nuchtere politieke overwegingen Graaf Julianus tot
deze onwaardige daad brachten, en zij geeft een veel romantischer
verklaring van zijn verraderlijke handelwijze: Roderick zou dan een
slecht en ontaard vorst zijn geweest. Hij ontbrandde in een hevige
hartstocht voor Cava, de jonge en schoone dochter van Graaf Julianus,
en verleidde en onteerde haar. Woedend en wanhopig over de wandaad van
Roderick, besloot Julianus oogenblikkelijk tot een gruwelijke wraak;
hij stelde zich niet tevreden met de overgave van de vesting, die hij
zoo lang tegen een machtigen vijand verdedigd had, maar haalde Musa,
den Moorschen Koning of Satraap over, een inval te doen in Spanje;
en om zijn bondgenootschap met de heidenen nog te versterken, nam hij
zelfs hun godsdienst en hunne levensgewoonten aan. Hij lichtte Musa in
over de natuurlijke gesteldheid van zijn vaderland, legde den nadruk
op den weerloozen toestand er van, de losbandigheid en ontaarding
der soldaten, en het gebrek aan voldoende bewaking der steden. Musa
begreep, dat hem hier een gunstige gelegenheid geboden werd het
Arabische gebied uit te breiden, en hij vaardigde een gezantschap
af naar Walid, den Kalif en zijn leenheer, om hem zijn oordeel te
vragen over een dergelijke onderneming. Walid moedigde dit avontuur
zeer aan. Maar Musa was niet alleen een dapper en ondernemend soldaat,
maar ook een sluw en voorzichtig veldheer, en inplaats van een groote
vloot af te sturen op een land van welks legersterkte hij slechts
weinig afwist, stelde hij zich tevreden met in Juli van het jaar
710 een aanval te doen op de Spaansche kust, om als het ware eerst
poolshoogte te nemen van de krijgskunst zijner tegenstanders. De
expeditie bestond uit vijfhonderd man, die, nadat zij te Tarifa geland
waren, ongeveer achttien mijlen door Spaansch gebied naar het kasteel
en de stad van Julianus marcheerden. Daar voegden zich de trouwelooze
volgelingen van dezen edelman bij hen, en zonder eenigen tegenstand
te ondervinden keerden zij met buit beladen naar Afrika terug.
Aangemoedigd door het succes dezer eerste onderneming, brachten de
Saracenen nu een leger van vijfduizend man bijeen en zij landden
in het voorjaar van 711, onder het bevel van een zekeren Tarik,
op Spaanschen boden, op een plaats, die nog steeds den naam van hun
aanvoerder draagt, nl. Gibraltar; want Gebel al Tarik beteekent »De
Berg van Tarik«. Zij versloegen zonder veel moeite een Spaansche
legermacht onder Edeco. Maar Roderick, die nu ook begon in te zien,
dat zijn troon wankelde, riep zijne vasallen te zamen, wier aantal
bijna honderdduizend man moet hebben bedragen. Intusschen had Tarik
zijn leger versterkt, maar hij kon niet meer dan twaalfduizend Moorsche
soldaten aanmonsteren, bij welk leger zich een afdeeling Afrikanen en
afvallige Gothen voegde. De legers ontmoetten elkanders bij Cadix,
en de Gotische troepen werden aangevoerd door Roderick zelf, die
schitterend uitgedost in zijn vorstelijke kleedij van zilver- en
goudborduursel, achterover leunde in een kostbaren wagen, die door
witte muilezels getrokken werd. De Gothen overwonnen louter door
de overmacht van hun aantal, en bij het eerste samentreffen werden
zestienduizend hunner vijanden verslagen. Maar Tarik spoorde zijne
ontmoedigde troepen aan, door hen erop te wijzen, dat een terugtocht
onmogelijk was: »Vóór u is de vijand«, zeide hij, »achter u ligt de
zee. Waarheen zoudt gij vluchten? Volgt mij, broeders, ik zal dien
Koning der Gothen verdelgen of zelf ondergaan.«