»Romances van een kust van liefde en wijn,
Waarin nog klinkt de galm van 't edel staal,
Waaruit ons tegenstraalt een lichte tooverschijn,
En woorden ruischen van een langvergeten taal.«
De letterkundige geest van Catalonië was van zuiver lyrischen aard,
zooals dat vanzelf spreekt bij een land, dat door de natuur zoo
heerlijk was uitgedost met een purperen mantel van wijnranken, en dat
omspoeld werd door de rustige schoonheid van een droomzee. De epische
poezië heeft haar vaderland in woeste en door stormen geteisterde
landen, waar de windvlagen in wilde zangen de ziel van den mensch
wekken tot vurige liederen, en zijn geest ontvankelijk maken voor het
rumoer van den krijg. Maar op beschutte kusten, doortrokken met zon,
en gekleurd met de warme tinten van den overvloed, worden de aeolische
geluiden der zefirs, die zich als zachtklinkende geesten door tuinen en
wijngaarden spoeden, omgetooverd in teederder en waziger muziek. Toch
ontbraken in deze provincie van minnezangers de ridderlegenden niet;
en zelfs ontstonden er twee romances van zulk een groote schoonheid,
dat deze in de letterkunde van het Schiereiland zich voor goed een
belangrijke plaats veroverd hebben.