Gedreven door de zucht naar avonturen versmaadden Florian en Palmerin
het gemakkelijke leven aan het Hof, en zij trokken weer verder. Wij
kunnen hen niet volgen door den doolhof van verwikkelingen, waarin
zij belandden, maar verscheidene hunner beproevingen, vooral die,
welke Palmerin op het »Gevaarlijke Eiland« moest doorstaan, behooren
tot het belangrijkste en bekoorlijkste gedeelte van het boek, dat
naar hem genoemd is.
In verschillende gedeelten der romance speelt de beminnelijke reus
Dramuziando een mooie rol, maar zijn tante, de wraakzuchtige Eutropa
blijft volharden in haar haat tegen het geslacht der Palmerins,
en zij smeedt voortdurend booze plannen tegen hen. Door de macht
van den toovenaar Doliarte slaagt zij er echter niet in, hen te
vernietigen. Het tooneel der meeste avonturen is het kasteel Almaurol,
waar, onder de bewaking van een reus de schoone, doch hooghartige
Miraguarda woonde, wier trekken afgebeeld waren op een schild, dat
boven de poort van het kasteel was opgehangen. Het werd bewaakt door
een stoet van ridders, die verliefd waren geworden op het origineel,
en wanneer er andere paladijnen kwamen, die de bekoorlijkheden hunner
aangebedenen prezen, dan moesten zij met die ridders strijden. Tot
de slachtoffers der schoone Miraguarda behoorde de reus Dramuziando;
maar terwijl hij de wacht hield bij het schilderij, werd het geroofd
door Alhayzar, den Sultan van Babylon, wiens geliefde Targiana,
de dochter van den Sultan van Turkije, hem had bevolen, het haar te
brengen als bewijs van zijn trouw.
De schrijver der romance schijnt het hier noodig te hebben gevonden,
zijne helden naar Constantinopel terug te roepen, om hen in het
huwelijk te laten treden met hunne respectieve geliefden. Palmerin
werd in den echt verbonden met Polinarda, en zijn broeder Florian
met Leonarda, de Koningin van Thracië, zoodat de gelieven allen
gelukkig werden gemaakt. De romance eindigt echter volstrekt niet
met deze huwelijken, want wij zien allerlei verwikkelingen ontstaan,
door de hartstochtelijke liefde, die de Sultansdochter van Turkije
opvat voor den pasgehuwden Florian. Deze vroolijke jonge prins had,
terwijl hij aan het Hof van haar vader vertoefde, zich de vrijheid
gepermitteerd, de jonkvrouw te schaken, en ofschoon zij nu goed en
wel gehuwd was met Alhayzar, Sultan van Babylon, en schilderijendief,
had zij voor haar vroegeren geliefde nog de oude gevoelens bewaard,
die echter vermengd waren met wrok, omdat hij hare bekoorlijkheden
vergeten had om de schoonheid der Koningin van Thracië.
Om haar jaloersch hart tevreden te stellen, gebruikte zij een toovenaar
om de Koningin van Thracië in het verderf te storten. Terwijl de jonge
vrouw in de tuinen van haar paleis wandelde, werd zij overvallen
door twee reusachtige griffioenen, die haar naar een betooverd
kasteel sleurden, waar zij veranderd werd in een groote slang. Haar
ontroostbare echtgenoot vond in haar bevrijding een avontuur naar
zijn hart, en nadat hij den wijzen Doliarte had geraadpleegd, gelukte
het hem de plaats te vinden, waar zijn vrouw gevangen gehouden werd,
en hij slaagde erin, de betoovering van haar weg te nemen.
Met deze daad beleedigde hij den trotschen Alhayzar in hooge mate;
deze besloot dan ook, den smaad, zijn Koningin aangedaan, te wreken,
en hij verzocht den Keizer van Constantinopel, Florian aan hem uit te
leveren. Natuurlijk ontving hij een weigerend antwoord, waarop hij het
Grieksche Rijk binnenviel met een leger van tweehonderdduizend man,
die uit alle echte en gefantaseerde koninkrijken en provincies van
het Oosten gerecruteerd waren. Er werden drie bloedige veldslagen
geleverd, en in den laatsten werd Alhayzar gedood, en het leger der
heidenen volkomen vernietigd.