Dit is waarschijnlijk wel de beste romance van de geheele serie. Men
zegt, dat de eerste Spaansche uitgave verloren is gegaan, maar
een Fransche vertaling ervan verscheen in 1553 te Lyon, en een
Italiaansche in 1555 te Venetië. Southey houdt echter vol, dat het
Spaansche origineel dezer geschiedenis nooit bestaan heeft, en dat zij
oorspronkelijk in het Portugeesch geschreven werd. Deze bewering werd
echter te niet gedaan, doordat Salva een afschrift van het verdwenen
Spaansche werk ontdekte, dat door Luis Kuxtado geschreven was en in
twee gedeelten te Toledo verscheen, in 1547 en 1548. Southey trachtte
in de Europeesche vertaling van Palmerin van Engeland aan te toonen,
dat een nadere beschouwing van de mise en scène het onweerlegbaar
bewijs zou leveren, dat deze romance van zuiver Lusitanischen oorsprong
was,--uit welke redeneering duidelijk blijkt, welk een gevaar er
schuilt in dergelijke spitsvondige redeneeringen. Met even weinig grond
zou men kunnen beweren, dat het werk van Engelschen oorsprong is, omdat
het voornamelijk speelt binnen de grenzen van het »gevaarlijke eiland«
Brittanje, in welk opzicht het veel overeenkomst vertoont met Amadis.
In Palmerin van Engeland vinden wij de levensgeschiedenis van de
ouders van den held geschetst. Don Duardos, of Eduard, de zoon van den
Koning van Engeland, was gehuwd met Flerida, de dochter van Palmerin
de Oliva. Op zekeren dag, toen hij op de jacht was, verdwaalde hij
in een Engelsch woud, en kwam terecht in een geheimzinnig kasteel,
waar hij gevangen gehouden werd door een reuzin, Eutropa genaamd,
wier broeder hij in den strijd gedood had. Maar Dramuziando haar neef,
en de zoon van den reus, die door Duardos naar de andere wereld was
geholpen, was zachter van gemoed dan zijn geweldige tante, en hij
vatte een eigenaardige vriendschap op voor den gevangen Duardos.
Intusschen was Flerida doodelijk ongerust geworden over het uitblijven
van Duardos, en zij begaf zich, vergezeld van een aantal ridders, op
weg om hem te zoeken. Terwijl zij het bosch door trok in de hoop hem te
vinden, gaf zij het leven aan twee zonen, die door haar kapelaan onder
het loof der boomen gedoopt werden. Nauwelijks was deze plechtigheid
afgeloopen, toen een woeste man, die in een verborgen schuilplaats
van het woud woonde, uit het dichte gebladerte te voorschijn sprong,
de kinderen greep en zich haastig met hen verwijderde. Niemand kon
hem tegenhouden, want hij was vergezeld van twee leeuwen, die zóó
reusachtig groot waren en verschrikkelijk om te aanschouwen, dat zelfs
de dappersten uit het gevolg van Flerida met angst geslagen waren.
De boschbewoner bracht de kinderen, die Palmerin en Florian
gedoopt waren, naar zijn hol, met het plan, hen voor de leeuwen te
werpen. Flerida keerde diep bedroefd naar het paleis terug en zond
een boodschapper naar Constantinopel met het bericht van alles wat
haar overkomen was. Toen Primaleón de treurige tijding ontvangen had,
scheepte hij zich met een aantal ridders in naar Engeland, waar zij
hoorden, dat Duardos in het kasteel der reuzin gevangen gehouden
werd. Zij trachtten hem te bevrijden, maar begingen de bij dolende
ridders gebruikelijke fout, afzonderlijk inplaats van te zamen ten
strijde te trekken, zoodat zij gemakkelijk verslagen werden door
Dramuziando, die elken nieuwen vijand, die naderde, dwong met hem
te vechten.
De woeste boschbewoner, die de koninklijke tweelingen had meegenomen
als voedsel voor zijne leeuwen, had geen rekening gehouden met zijn
vrouw, wier moederlijk instinct zich verzette tegen dien wreeden
dood der kinderen. Zij overreedde haar man hen te sparen, en voedde
hen op met haar eigen zoon Selvianus. Na verloop van tijd werden zij
zeer bedreven in de jacht en den boschbouw, en op één zijner tochten
door het woud, toen hij het spoor van een rood hert volgde, ontmoette
Florian den zoon van den hertog van Wales, Pridos, die hem medenam
naar het Engelsche Hof, waar hij bij zijn moeder Flerida gebracht
werd. Zij gevoelde zich zeer aangetrokken tot den schuwen knaap, nam
hem als haar zoon aan, gaf hem den naam van »Het Kind van het Woud,«
en voedde hem op in beschaafde manieren.
Op zekeren dag, kort nadat Florian van de boschbewoners gescheiden was,
liepen Palmerin en Selvianus langs het strand, en ontdekten een galei,
die door den storm op de kust geworpen was. Polendos (wiens vroegere
lotgevallen in de romance Primaleón beschreven zijn) stapte aan wal
in gezelschap van eenige andere Grieksche ridders, die met hem naar
Engeland gekomen waren om Duardos te zoeken. Palmerin en Selvianus
vroegen hem, hen mede te nemen op het schip, dat spoedig weer zee koos,
en niet lang daarna kwamen zij te Constantinopel aan, waar zij bij
den Keizer gebracht werden. Deze wist natuurlijk niets van de afkomst
van Palmerin, maar het was hem door brieven, die hij ontvangen had
van een zekere »Jonkvrouw van het Bad«, die als beschermengel van
den jongen held schijnt te zijn opgetreden, bekend, dat de knaap
van hooge geboorte was. De keizer, die door de aanbeveling dezer
edele dame zeer vriendelijk gestemd was tegenover Palmerin, sloeg
hem tot ridder, en Polinarda, de dochter van Primaleón, gordde hem
het zwaard aan. Gedurende het verblijf van Palmerin te Constantinopel
werd er een tournooi gehouden, waarin hij en een vreemde ridder, die
als devies de beeltenis droeg van een boschbewoner met twee leeuwen,
zich onderscheidden door groote dapperheid. De vreemdeling vertrok
nog incognito, maar later ontdekte men, dat het Florian was, die van
dit oogenblik bekend bleef als »De Ridder met den Boschbewoner.«
Palmerin geraakte dadelijk onder de bekoring van prinses Polinarda,
maar de heftigheid, waarmede hij om haar hand dong, waarschijnlijk het
natuurlijk gevolg van zijn eigenaardige opvoeding, beleedigde de edele
jonkvrouw, en zij wees hem de deur. Wanhopig over hare hardvochtigheid,
verliet hij de Grieksche hoofdstad en reisde onder den naam van
den »Gelukzoeker« naar Engeland, waarheen hij Selvianus als zijn
schildknaap mee nam. Op zijn reis daarheen had hij vele avonturen,
waarin hij zonder onderscheid gelukkig was, en eindelijk kwam hij
in het rijk van zijn grootvader aan. Maar terwijl hij door het bosch
trok, waar zijn pleegvader woonde, kwam hij onverwachts tegenover hem
te staan, en hij vertelde hem zijne lotgevallen. Daarna haastte hij
zich verder, en kwam hij bij een kasteel in de buurt van Londen, waar
de slotvoogd hem vroeg voor hem te strijden met den »Ridder met den
Boschbewoner«, die zijn zoon gedood had. Hij vertrok dus naar Londen
en daagde Florian uit, maar prinses Flerida kwam tusschenbeide en
verbood den strijd, die nooit hervat werd, want Palmerin had eindelijk
Dramuziando overwonnen en Duardos bevrijd. Het geheim van de geboorte
der tweelingen werd door den toovenaar Doliarte geopenbaard en door
hun pleegvader bevestigd.