Maar ondanks zijn nieuw verworven macht, vergat Palmerin niet,
dat hij zich tot taak had gesteld, zijn verloren vriend Trineus
te gaan zoeken. Toen hij hiertoe over de Middellandsche Zee voer,
werd hij door een geweldige Turksche vloot overvallen en gevangen
genomen. Hij werd naar het paleis van den Sultan gebracht, en slaagde
er in Prinses Agriola uit de macht van dezen tiran te bevrijden. Daarna
ontvluchtte hij en kwam bij het paleis van een prinses, die Trineus,
in zijn gedaante van een schoothondje, ten geschenke had gekregen
van de menschen, die hem gevangen hadden. Deze dame had een ernstige
verzwering in de neus (een zeer onromantische bijzonderheid!), en
verzocht Palmerin haar te vergezellen naar Mussabelin, een Perzisch
toovenaar, die haar, zooals zij vast geloofde, zou kunnen bevrijden
van deze ellendige ziekte. Maar de Wijze deelde haar mede, dat zij
slechts zou kunnen genezen door de bloemen van een boom, die in de
nabijheid van »Het Kasteel met de tien Trappen« groeide.
Het kasteel, waarvan de Wijze sprak, was echter betooverd; maar
Palmerin was tegen alle booze machten beschermd door de wondergave der
feeën, en hij begaf zich dus op weg naar het betooverde kasteel, plukte
de bloemen van den genezingbrengenden boom, en ving een betooverden
vogel, die voorbestemd was het uur van zijn dood aan te kondigen door
een bovenaardschen kreet. Vervolgens nam hij de betoovering weg van
het kasteel en tegelijkertijd nam Trineus, die hem in de gedaante
van een hond gevolgd was, zijn oorspronkelijke gestalte weer aan.
De verdere lotgevallen van Palmerin gelijken zooveel op de vorige,
dat het monnikenwerk zou zijn, ze alle te verhalen. Van het Hof
van den éénen Sultan trekt hij naar dat van den anderen, het ééne
wonderbaarlijke avontuur volgt op het andere, en de tweegevechten
volgen elkander met groote snelheid op. Eindelijk komen Palmerin en
Trineus in Europa terug en beiden huwen de aangebedene huns harten.
De priester van Cervantes is wel wat streng in zijn oordeel over
Palmerin de Oliva. Toen hij een volgend boek opende, zag hij, dat
het Palmerin de Oliva was. »Ha, heb ik je daar te pakken?« riep de
priester, »neem deze Oliva mee, scheur hem in stukken, verbrand hem,
en strooi de asch in den wind!« Toch zijn er schitterende bladzijden
in de romance, die wij zooeven in groote trekken hebben beschreven,
korrels stofgoud in een woestijn van verwarde en oppervlakkige
vertelsels, vonken van het genie, zooals wij die hier en daar in
Shelley' Zastrozzi, St. Irvyne en andere hysterische uitingen uit
zijn studententijd aantreffen.