Diep doordrongen van de groote eer, die hem met den juist ontvangen
ridderslag verleend was, en buitengewoon trotsch op de gouden sporen
die aan zijn geharnaste hielen glinsterden was Palmerin niet weinig
gevleid door de belangstelling, die hij blijkbaar gewekt had bij
een troepje jonge en schoone dames, die zich bij den uitgang van
het bosch bevonden en die zijn flinke gestalte met lachende oogen
opnamen. Wanneer hij minder vervuld was geweest van zichzelf en zijn
paard, dat hij om den indruk te verhoogen liet huppelen en springen,
zou hij gezien hebben, dat de jonkvrouwen, voor wie hij zulk een
schitterend figuur wilde slaan, veel te schoon waren voor aardsche
wezens; want de dames, die hem met zulk een blijkbaar genoegen bekeken,
waren prinsessen uit het geslacht der Feeën, en zij hadden zich op
den weg van den jongen ridder geplaatst met het doel, hem met haar
toovermacht te helpen.
Palmerin begroette haar met alle hoffelijkheid, waartoe hij in
staat was.
»God behoede u, schoone jonkvrouwen«, zeide hij, terwijl hij zóó
diep boog, dat hij bijna de manen van zijn paard raakte, »kunt gij
mij ook vertellen, of ik in de buurt ben van de bron, die door de
booze slang bewaakt wordt?«
»Edele ridder«, antwoordde één der nymphen, »gij zijt slechts een mijl
ervan verwijderd. Maar wij smeeken u, keer terug op uwe schreden. Vele
ridders, met roem beladen, hebben wij reeds dezen weg zien gaan om te
strijden met het monster, dat de bron bewaakt, maar nog nooit keerde
één hunner terug«.
»Het is niet mijn gewoonte een onderneming op te geven,« zeide Palmerin
uit de hoogte. »Heb ik u goed begrepen, dat de bron nog geen mijl
van deze plaats verwijderd is?«
»Een kleine mijl, Heer Ridder,« antwoordde de fee. En zich tot hare
gezellinnen wendende, zeide zij: »Zusters, dit schijnt de jongeling
te zijn, dien wij reeds zoo lang verwacht hebben; hij is moedig en
standvastig; zullen wij hem de wondergave schenken?«
Toen hare gezellinnen hiertoe hare toestemming hadden gegeven,
openbaarde zij Palmerin wie zij en hare zusters waren, en zij
verzekerde hem, dat waarheen hij gaan zou, of wat hij zou ondernemen,
geen monster of toovenaar macht over hem zou krijgen. Toen wezen
zij hem nauwkeuriger den weg naar de schuilplaats der slang en zij
verdwenen in het donkere woud.
Toen reed hij verder en hij kreeg spoedig de bron in het oog; maar
nauwelijks had hij een blik geworpen op het zilveren water, dat uit
een groenen heuvel opborrelde, of een vreeselijk gesis waarschuwde
hem, dat de giftige bewaker in de nabijheid was. Zonder eenige
vrees reed hij echter voorwaarts. Een vuurstraal, komende uit den
muil van het monster, spoot over hem heen, maar hij boog zich over
het zadel, en ontkwam zóó aan den vuurgloed. En terwijl hij op den
venijnigen kop toesprong, die rustte op een nek, dik als een zuil,
en die begroeid was met glanzende schubben, sloeg hij ernaar met zijn
zwaard. De slang trachtte den ridder en zijn paard te omstrengelen,
maar voordat het haar gelukt was, hen in haar doodelijken greep te
krijgen, had Palmerin haar den kop afgeslagen.
Bij zijn terugkomst in Macedonië werd de jonge held overladen met
verzoeken van allerlei vorsten, die hem met alle geweld in een of
andere onderneming wilden betrekken. Palmerin voldeed daaraan met
zulk een buitengewone dapperheid, dat zijn roem spoedig verspreid
was over geheel Europa, en wij zien hem zelfs strijden in België,
waar hij den Duitschen Keizer bevrijdde uit de macht van eenige
verraderlijke ridders, die hem in de stad Gent belegerden. Het was
bij deze gelegenheid, dat hij de dochter des Keizers, de schoone
Polinarda, die hem eens in den droom was verschenen, leerde kennen
en haar lief kreeg. Maar de jonge paladijn was van oordeel, dat hij
zulk een verheven jonkvrouw slechts waardig zou zijn, wanneer hij
vele ridders ter wille van haar had overwonnen, en hij besloot dus,
zich in avonturen te begeven, die nog veel moeilijker waren dan die,
waardoor hij zich reeds zulk een grooten roem had verworven. Toen
hij dus hoorde van een groot tournooi, dat in Frankrijk zou worden
gehouden, reisde hij daarheen, en kwam als overwinnaar uit den strijd
te voorschijn.
Bij zijn terugkomst in Duitschland vond hij den Keizer in een oorlog
gewikkeld met den Koning van Engeland, tegen wien hij zich met
den Koning van Noorwegen verbonden had. Dit bondgenootschap was
echter niet naar den zin van Trineus, den zoon van den Keizer,
die de Engelsche koningsdochter Agriola beminde; hij vertrok
dus in alle stilte met Palmerin, om den vader zijner geliefde te
helpen. Na vele wederwaardigheden slaagden de jonge ridders erin,
de Engelsche prinses te ontvoeren. Maar toen zij huiswaarts keerden,
werden zij door een hevigen storm overvallen en naar de kust van Morea
gedreven. Toen de storm bedaard was, voer Palmerin naar het naburige
eiland Calpa, om zich daar bezig te houden met de valkenjacht,
en gedurende zijn afwezigheid werd het vaartuig, waarop hij zijne
vrienden had achtergelaten, overrompeld door Turksche zeeroovers,
die Agriola medevoerden, als een geschenk aan hun Sultan. Trineus
was er nog ongelukkiger aan toe, want hij werd aan wal gezet op een
woest eiland, waarschijnlijk hetzelfde, waar Circe heerschte, en waar
hij oogenblikkelijk veranderd werd in een hond. En om zijn toestand
nog vernederender te maken, kreeg hij niet de gedaante van één der
edelste soorten van het hondenras, maar van een kleinen schoothond,
zooals men ze in damesboudoirs vindt.
Intusschen werd Palmerin, die geheel onkundig was van het lot zijner
vrienden, op het eiland Calpa ontdekt door Archidiana, de dochter
van den Sultan van Babylon, die hem dadelijk in haar dienst nam,
en weigerde hem te laten vertrekken. Archidiana had bij den eersten
aanblik een hevige hartstocht opgevat voor den schoonen jongen ridder,
en de moeilijkheid werd voor hem nog grooter door de wetenschap, dat
ook haar nicht Ardemira verliefd op hem was geworden. De ridder wees
echter zeer beslist hare vriendelijkheden af, en Ardemira trok zich dit
zóó hevig aan, dat zij een bloeduitstorting kreeg en stierf, spoedig
nadat het gezelschap aan het Hof van Babylonië was aangekomen. Toen
Amaran, de zoon van den Koning van Phrygië, die met haar verloofd
was, dit treurig einde vernam, spoedde hij zich naar Babylon, en
beschuldigde Archidiana in heftige bewoordingen, de oorzaak te zijn
van haar dood, terwijl hij aanbood deze bewering te staven door een
tweegevecht. Palmerin ging, zooals dit zijn plicht was, op de uitdaging
aan de prinses in; hij versloeg Amaran bij het eerste samentreffen,
en verwierf hierdoor de gunst van den Sultan, wien hij bijstond in
den oorlog met Phrygië, die het gevolg was van dit tweegevecht.
De Sultan was verrukt over zijn militair succes en besloot de grenzen
van zijn rijk uit te breiden; met dit doel ondernam hij een veldtocht
tegen Constantinopel en Palmerin was genoodzaakt hem hierbij te
vergezellen. Maar toen de Babylonische vloot overvallen werd door
storm, beval hij de matrozen van zijn eigen schip naar de Duitsche kust
te sturen. Daar aangekomen reisde hij naar de hoofdstad, en maakte zich
in het geheim bekend bij Polinarda, bij wie hij eenigen tijd bleef.
Maar hij werd gekweld door angstige voorgevoelens over zijn
vriend Trineus, en dus besloot hij, den ongelukkigen prins te gaan
zoeken. Bij zijn tocht door Europa kwam hij ook in de stad Buda, waar
hij hoorde, dat Florendos, Prins van Macedonië, kort geleden Tarisius
had verslagen, die, zooals men zich zal herinneren, zijn mededinger
was geweest naar de hand van Prinses Griana; zij was echter indertijd
door haar vader, den heerschzuchtigen keizer van Constantinopel,
gedwongen tot een huwelijk met Tarisius. Florendos was gevangen genomen
door de bloedverwanten van Tarisius, en naar Constantinopel gevoerd,
waar hij aan den schandpaal zou worden verbrand, tegelijk met Griana,
die men als zijn medeplichtige beschouwde. Zoodra Palmerin vernam,
dat het leven bedreigd werd van hen, die zonder dat hij het wist,
zijne ouders waren, begaf hij zich oogenblikkelijk naar Constantinopel,
waar hij hun onschuld verdedigde, door in een strijd op leven en dood
de neven van Tarisius te verslaan, en waar het hem gelukte, hen te
bewaren voor den schandelijken dood, die hen wachtte. Terwijl hij
te bed lag om te genezen van zijne wonden, kreeg hij bezoek van de
dankbare Griana, die hem aan een moedervlek op zijn gelaat en door
de mededeeling, dat hij een vondeling was, als zoon herkende. Toen
de Keizer haar verhaal hoorde, nam hij Palmerin vol vreugde tot zich,
en hij erkende hem als zijn opvolger.