PALMERIN DE OLIVA.

Bij zijn verschijning werd Palmerin de Oliva ontvangen met een bijna

even groot enthousiasme als Amadis, waarmede het, waarschijnlijk niet

geheel toevallig, veel overeenkomst vertoonde; en ook verschenen

er, evenals van deze romance, verrassend snel nieuwe uitgaven en

vertalingen van.

Het begin van Palmerin de Oliva brengt ons opnieuw naar het

tooverachtige strand van den Gouden Hoorn. Reymicio, de Keizer van

Constantinopel, had een dochter, Griana genaamd, die hij bestemd had

voor Tarisius, den zoon van den Koning van Hongarije, en een neef

van de Keizerin. Maar Griana had haar hart geschonken aan Florendos

van Macedonië, van wien zij een zoon had. Daar zij den toorn van

haar vader vreesde, liet zij toe, dat een dienaar het kind naar een

eenzame plek bracht, waar het door een boer werd gevonden, die het

meenam naar zijn hut en het opvoedde als zijn eigen zoon, onder den

naam van Palmerin de Oliva, omdat hij het gevonden had op een heuvel,

die weelderig begroeid was met palm- en olijfboomen.

De knaap was tevreden met zijn eenvoudig bestaan, maar toen

hij vernam, dat hij geen boerenzoon was, verlangde hij naar het

krijgsmansleven. Het lot was hem gunstig. Eens, toen hij door een

donker woud dwaalde op zoek naar wild, ontmoette hij een koopman,

die door een woesten leeuw aangevallen was. Hij versloeg het dier

en hoorde, dat de reiziger uit Constantinopel kwam en op weg was

naar zijn eigen land. Palmerin sloot zich bij den koopman aan, en

vergezelde hem naar de stad Hermide, waar zijn dankbare metgezel hem

van wapenen en een paard voorzag. Toen hij zoo was toegerust voor

het leven van een ridder, begaf hij zich naar het Hof van Macedonië,

waar hij tot ridder geslagen werd door Florendos, den zoon van den

Koning van dit rijk, en dus zijn eigen vader.

Spoedig deed zich voor Palmerin een gelegenheid voor on zich te

onderscheiden. Primaleón, de Koning van Macedonië, was reeds geruimen

tijd lijdende aan een gevaarlijke ziekte. Zijne geneesheeren hadden

hem verzekerd, dat hij genezen zou, wanneer hij er in slaagde water

uit een bepaalde bron te krijgen. Maar deze bron werd bewaakt door

een reusachtige slang, die zóó kwaadaardig was, dat het reeds

levensgevaarlijk was haar schuilplaats te naderen. Vele ridders

hadden het avontuur reeds ondernomen, en waren door het venijnige

dier vermorzeld, zoodat het niemand nog gelukt was, den zieken Koning

het genezingbrengende water te verschaffen. Dit scheen Palmerin een

welkome gelegenheid toe, zijn moed te toonen, en zonder zich goed

rekenschap te geven van de groote moeilijkheid dezer onderneming,

wierp hij zich in het zadel, en draafde weg in de richting van de bron.

Legenden en Romances van Spanje · 第 81 / 165 题