FLORISEL VAN NIQUEA.

De geschiedenis, die zoozeer de verontwaardiging heeft opgewekt van

den onromantischen priester en den nog minder dichterlijken barbier

van Cervantes, is het Tiende Boek van Amadis, dat den naam draagt van

Florisel van Niquea, en waarvan ons wordt verteld, dat het geschreven

is door niemand minder dan Cirfea, Koningin van Argos, die het dan

zeker heeft gedicht in de korte rustpoozen, die haar gelaten waren

bij haar moeilijke regeeringstaak. Hare Majesteit verlaagt zich er

niet toe ons mede te deelen, hoe groot het honorarium was, dat zij

in 1532 van hare Valladolidsche uitgevers ontving; maar wanneer wij,

zonder ons schuldig te maken aan majesteitsschennis, een prijs mochten

bepalen, dan zouden wij zeggen, dat de letterkundige ontboezeming

dezer fantasierijke vorstin uitstekend betaald zou zijn geweest met een

stuiver per regel. In één woord, Cirfea, of de tienderangs schrijver,

die zich achter haar vorstelijke persoon verbergt, is betrekkelijk

vervelend, en haar flauwe herdersverhalen kunnen onmogelijk ernstig

genomen worden. Het eenige, wat haar werk nog eenige beteekenis geeft,

is, dat zij waarschijnlijk de eerste was, die het landelijk element

in de romance heeft gebracht, en dat zij dus de schepper is van een

lange rij gekunstelde en sentimenteele herders en herderinnen, wier

tranen en zuchten de bladzijden der zestiende- en zeventiende-eeuwsche

dichtwerken vullen, en wier niet te stelpen klachten de oorzaak zijn,

dat men er tegen op ziet een boek te openen, dat zelfs maar uit de

verte herinnert aan l'esprit de bergères.

De romance brengt ons in kennis met Sylvia, de dochter van Lisuarte

en Onoloria, die, zooals vanzelf spreekt, in haar kinderjaren aan

de ouders ontrukt werd en in de buurt van Alexandrië werd opgevoed

voor het herdersleven. Deze streek, die toen ten tijde misschien

een zekere vermaardheid genoot om haar veeteelt, had dit dan

zeker te danken aan de groote hoeveelheid zand, die zij oplevert,

hetgeen blijkbaar een zeer deugdelijk veevoedsel is geweest. Toen

Sylvia grooter werd, begon zij te beseffen hoe schoon zij was, en

vertrouwende op haar bekoorlijk uiterlijk, en misschien ook op haar

allerliefsten naam, onderwierp zij den schoonen jongeling Darinel,

wiens naam evenals de hare in het land der Pharao's uitheemsch was,

aan haar wil. Sylvia was van oordeel, dat een herderin »hardvochtig«

tegenover haar minnaar behoorde te zijn, en deze was het dus, die voor

de sonnettendichters de nieuwe mode in het leven riep, zich bitter te

beklagen over de onverschilligheid eener geliefde. Hij toonde zijn

goeden wil tot sterven, door zich op den top van een berg bloot te

stellen aan de woede der elementen, een betrekkelijk omslachtig proces

zou men zoo oppervlakkig meenen, in een streek, die zoo bij uitstek

gezond wordt geacht voor longlijders. Waarschijnlijk kwam hij tot

het inzicht, dat het Egyptische klimaat zich niet bijzonder leende

tot de uitvoering van zijn droevig plan, en dus vertrok hij naar de

omgeving van Babylonië, waar hij, zoekende naar bergen in een streek,

waar er opmerkelijk weinig zijn, in de gelegenheid was vriendschap te

sluiten met Florisel, die met zijn opgewekten aard er wel eens genoeg

van zal hebben gekregen, dat eeuwige gejammer over de schoone oogen

der aangebeden jonkvrouw te moeten aanhooren. Darinels beschrijvingen

van Sylvia's bekoorlijkheden waren echter zóó geestdriftig, dat

Florisel werd aangestoken door de gevoelens van zijn ongelukkigen

vriend, zoodat hij ten slotte zóó weinig in staat was, de hartstocht,

die hem verteerde te overwinnen, dat hij zich als herder vermomde,

en den ongelukkigen Darinel overhaalde, hem naar de woonplaats van

Sylvia te brengen. Maar hoewel Florisel haar de groote eer had bewezen,

den geheelen weg van Babylon te voet af te leggen om beloond te worden

met een blik uit hare oogen, was zij tegenover hem even koud en wreed

als zij dat tegenover Darinel geweest was.

Op een avond, toen Florisel tot opluchting van den lezer zijne klachten

aan de schoone herderin eens een oogenblik staakte, vertelde hij haar,

hoe Prins Anastarax, de broeder van Niquea, in een betooverd paleis

gevangen werd gehouden door den machtigen Zirfea. Toen de wispelturige

Sylvia dit verhaal hoorde, ontvlamde zij plotseling in liefde voor

Anastarax, en zij dwong Florisel en Darinel, welke laatste niet meer

naar de woeste bergen hunkerde, met haar er op uit te trekken om den

Prins uit zijn door vlammen omgeven gevangenis te verlossen. Maar toen

zij in de nabijheid kwamen van den Toren waarin hij was opgesloten,

hoorden zij, dat dit avontuur reeds was ondernomen door Alastraxare,

een schoone Amazone, de dochter van Amadis van Griekenland en de

Koningin van de Kaukasus. De lezer is dan genoodzaakt de lotgevallen

van deze vrouwelijk Hercules te volgen, wier onuitsprekelijke naam een

struikelblok is geweest voor heele geslachten van boekdrukkers. Hare

avonturen vullen vele bladzijden.

Het kleine gezelschap uit Alexandrië ging op zoek naar deze heldin

en ontmoette op zijn tocht vele avonturen; onder de belangrijkste

daarvan behoort de flirtation van Florisel met Arlanda, Prinses van

Thracië, die op hetgeen men haar van hem verteld had, verliefd op

hem was geworden, zooals dat toenmaals de gewoonte schijnt te zijn

geweest onder de jonge dames uit den bloeitijd der romance.

Zij stak zich in de kleederen van de ongenaakbare Sylvia, en verlokte

hem tot een samenkomst in den maneschijn, bij welke gelegenheid zij er

in slaagde zijn gunst te winnen, terwijl hij in de vaste verbeelding

was, dat zij de herderin was, die hij zoolang vruchteloos met zijne

liefdesbetuigingen vervolgd had.

Bij hunne omzwervingen werd Sylvia tijdens een geweldigen storm

van hare medereizigers gescheiden, en toen zij op hare schreden

terugkeerde, kwam zij weder bij de door vlammen omgeven gevangenis

van Anastarax. Intusschen waren Florisel en Darinel aan de kust van

Apollonia gekomen, waar de eerste gelukkig de bekoorlijkheden van

het grillige herderinnetje vergat, dat op het goede oogenblik als

de dochter van Lisuarte herkend werd en met haar beminden Anastarax

vereenigd werd. Doch het was niet alleen te wijten aan zijn slecht

geheugen, dat Florisel zijn aangebeden Sylvia vergat, maar voornamelijk

aan de schoone oogen van Prinses Helena van Apollonia.

Het verder verloop van het verhaal is er bepaald op berekend, den

meest lankmoedigen lezer te tarten. Florisel had niet veel tijd om te

genieten van het gezelschap der bekoorlijke Apollonische Prinses, daar

hij was uitverkoren om zijn oom uit de gevangenis te bevrijden. Toen

hij eindelijk aan dien plicht voldaan had, begaf hij zich op weg

naar Apollonia, maar het was hem natuurlijk niet gegeven, het strand

van dit schoone land zonder verdere lotgevallen te bereiken. Toen

hij te Colchos landde, ontmoette hij Alastraxara, die haar geluk

had gevonden in Falanges, een dapper krijgsman uit het gevolg van

Florisel. Bij zijn komst in Apollonia was Prinses Helena op het punt,

in het huwelijk te treden met den Prins van Gallië, welke verbintenis

om politieke redenen door haar vader was bevolen. Maar Florisel zou

niet waard zijn geweest te stammen uit een geslacht welks helden nooit

lijdelijk waren gebleven onder dergelijke omstandigheden, indien hij

had nagelaten de plannen van den vader te verijdelen, en zooals de

koninklijke schrijfster opmerkt, hij zorgde voor een herhaling van

de geschiedenis van Troje, door deze tweede Helena te schaken.

Evenals in het oorspronkelijke verhaal van Homerus, werden natuurlijk

door deze daad de echte en onechte koninkrijken van het Oosten en het

Westen in een vreeselijken oorlog gewikkeld. Geholpen door de Russen,

die dus toen reeds een zekere voorliefde schijnen te hebben gehad voor

het omverwerpen van een bestaande maatschappij, wierpen de landen

van het Westen hunne reuzenlegers in de vlakten van Constantinopel,

en brachten de Grieksche wapenen een geweldigen nederlaag toe. Maar

de Slaven keerden zich later tegen hunne Oostersche bondgenooten,

verdreven hen van de kusten van den Gouden Hoorn, en stelden Florisel

ten slotte in het bezit van de hoofdstad van het Oosten en van

Prinses Helena.

Hier zou de doorluchtige Cirfea met haar gouden pen gevoegelijk Finis

hebben kunnen schrijven onder deze verbazingwekkende historie. Maar

in dit stadium van het verhaal schept de schrijfster op nieuw adem,

waarschijnlijk in verband met de omstandigheid, dat de boekhandelaren

in Valladolid hunne klanten beloofd hadden, dat zij vergast zouden

worden op zooveel duizend regels van haar hand, en zij hen niet wilde

teleurstellen om redenen, waarboven zij als gekroond hoofd verheven had

behooren te zijn. Maar Argolis is spreekwoordelijk bekend als een arm

land, waarvan de bevolking een aangeboren afkeer heeft van belasting

betalen. Hoe het zij, Cirfea was niet het laatste gekroonde hoofd

van den Balkan, dat door letterkundigen arbeid aan speldengeld moest

komen; zij voorzag zich dus van een nieuwen riem perkament van het

Departement van Argos (want het is bekend, dat Gouvernements-papier

vanaf de tijden van Khammurabi algemeen eigendom is) verzon weer

nieuwe verwikkelingen, en maakte zich gereed om die uit te werken.

Toen de verraderlijke Russen afgerekend hadden met de Westersche

legers, keerden zij naar hun eigen land terug, om daar nieuwe

plannen uit te broeden voor de verdere vernietiging van het bedreigde

Europa. Maar Amadis van Griekenland was van oordeel, dat een volk dat

zooveel te danken had aan de beschaving van andere volken (om niet

te spreken van zijn financiëele verplichtingen) gevoelig moest worden

gestraft voor zijn oorspronkelijk bondgenootschap met den vijand. Hij

vervolgde dus hunne schepen, maar verloor hen uit het oog en kwam

terecht bij het verlaten eiland, dat in geen romance schijnt te mogen

ontbreken. Daar besloot hij te blijven om boete te doen voor zijn

ontrouw tegenover de Prinses van Sicilië. Natuurlijk belandde deze

dame daar ook en nadat zij haar ontrouwen minnaar duchtig de les had

gelezen, raadde zij hem aan, terug te keeren tot zijn diepbedroefde

echtgenoote Niquea, welke raad hij tenslotte opvolgde.

Toen Amadis na verloop van eenigen tijd niet te Constantinopel

terugkwam, werd men ongerust in de keizerlijke stad, en Florisel en

Falanges werden uitgezonden om hem te zoeken. Zij belandden bij het

eiland, waar Florisel onder den aangenomen naam van Moraizel verliefd

werd op koningin Sidonia, en zich met haar verloofde; zij ontzag

zich echter niet, haar voorkeur voor zijn metgezel onbewimpeld te

toonen. Maar Florisel had spoedig genoeg van zijn bruid, die hem een

allerliefst dochtertje Diana schonk, dat bestemd was om als heldin

te fungeeren in het Elfde en Twaalfde Boek van deze eindelooze

geschiedenis.

Legenden en Romances van Spanje · 第 77 / 165 题