AMADIS VAN GRIEKENLAND.

Het Negende Boek behandelt de avonturen en heldendaden van het geslacht

van Amadis, van wien in meer dan één beteekenis gezegd kan worden, dat

hij onsterfelijk was. De eerste uitgave verscheen in 1535 te Burgos,

een letterkundig centrum, en men beweert, dat het werk uit het Latijn

in het Grieksch werd overgebracht, zooals de beroemde Trojaansche

romance Dares en Dictys, en dat het in een latere periode vertaald is

in de Romaansche taal door den machtigen en wijzen toovenaar Alquife,

klaarblijkelijk een soort van Moor, in dienst van een schrijver,

die deze romance schreef met buitengewoon veel verbeeldingskracht

en zeer weinig routine. Amadis van Griekenland is nl. een mengsel

van de grootste fantasie en de meest onlogische verzinsels, en wij

belanden in zulk een doolhof van wonderbaarlijke verwikkelingen,

dat het geen gemakkelijke taak is, er een begrijpelijk en geregeld

relaas van te geven.

Wanneer wij de wilde vlucht van den dichter volgen met den

ingehouden stap van ons modern ongeloof, dan bemerken wij, dat

Amadis van Griekenland, evenals zijne voorouders, bij zijn geboorte

niet bepaald welkom was; hij was de zoon van Lisuarte en Onoloria,

Prinses van Trebizonde, en geboren korten tijd na de plotselinge

scheiding van dit heimelijk gehuwde paar. Toen het kind gedoopt werd

aan een bron op een woeste, eenzame plek, waarheen het gebracht was

om openbaarheid te vermijden, werd het door zeeroovers weggevoerd,

en verkocht aan den Moorschen Koning van Saba. Daar hij op zijn borst

het beeld van een zwaard had, noemde hij zich, na van den heidenschen

Vorst den ridderslag te hebben ontvangen, »De Ridder van het Vlammende

Zwaard.« Korten tijd daarna werd hij ten onrechte ervan beschuldigd,

een geheime liefde voor de Koningin van Saba te koesteren, en daar hij

den toorn van zijn weldoener vreesde, vluchtte hij, en stortte zich in

een leven van avonturen, zooals dat in zijn geslacht gebruikelijk was.

Hij was door zijn opvoeding en aard een heiden, en toen hij dus

bij den Verboden Berg kwam, dien zijn grootvader uit de macht der

ongeloovigen bevrijd had, verwoestte hij het vrome werk, door hem

verricht, en verjoeg hen, die door den Keizer van Griekenland daar als

verdedigers waren neergezet. Toen de groote Esplandian, die nu Keizer

van Constantinopel was, hoorde, dat het werk der Christenen bedreigd

werd, spoedde hij zich naar het tooneel der vijandelijkheden, en daagde

den dapperen jongeling tot een tweegevecht uit; hij werd echter door

hem verslagen, een omstandigheid, die nooit zou zijn opgekomen in het

brein van den enthousiasten schrijver, die de romance van dezen held

dichtte, en die stellig zeer ontdaan zou zijn geweest over den val

van zijn "ster". Korten tijd na deze gebeurtenis ontmoette Amadis den

Koning van Sicilië; hun kennismaking begon met een gevecht, want dit

was de gebruikelijke manier, waarop dolende ridders zich aan elkander

voorstelden; maar toen zij elkander leerden kennen en hoogachten,

sloten zij een vriendschap, die nog hechter werd door de liefde van

Amadis voor de bekoorlijke dochter van den strijdlustigen Koning.

Op weg naar Sicilië kwam Amadis toevallig bij een eiland, waar

hij den Keizer van Trebizonde, Lisuarte, Perion en Gradaffile in

een betooverden slaap aantrof. Zooals wij gezien hebben, waren zij

ontvoerd door de handlangers der heidenen.

Ongeveer in dienzelfden tijd, ontmoette Amadis van Gallië, die

blijkbaar nog niet te oud was voor avontuurlijke ondernemingen, de

Koningin van Saba, die op zoek was naar een kampioen, die bereid zou

zijn haar te verdedigen tegen de valsche beschuldiging van echtelijken

ontrouw. Amadis stelde zich tot hare beschikking, en vergezelde haar

naar Saba, waar hij met haar echtgenoot die haar beschuldigde, streed,

en hem overwon. Hij slaagde er ook in, haar onschuld, en die van zijn

naamgenoot, Amadis van Griekenland, te bewijzen, tot groote voldoening

van den Koning, haar echtgenoot.

Nadat Amadis van Griekenland zijne voorouders uit hun tooverslaap

gewekt had, vervolgde hij zijn reis naar Sicilië. Hij had nog niet

lang op het eiland vertoefd, toen hij hoorde hoe in de buurt van

het paleis een ridder verliefde verzen voordroeg. Dadelijk kwam

zijn jaloersch hart tot het besluit, dat de verliefde ridder den

lof zong zijner prinses. Half waanzinnig door deze verdenking,

zocht hij overal naar zijn veronderstelden medeminnaar, maar zonder

resultaat; hij volgde overal zijn spoor, maar slaagde er nooit in,

hem te vinden. Bij deze vervolging ontmoette hij vele avonturen;

maar ten slotte begreep hij, dat zijn verdenking ongegrond was, en

dat de zanger, dien hij gehoord had, geen aanslag had willen plegen

op het hart van het voorwerp zijner liefde.

Terwijl dit alles gebeurde was Lisuarte, de vader van onzen held,

naar Trebizonde teruggekeerd, en had in allen vorm aanzoek gedaan om de

hand van Onoloria. Maar Zairo, de Sultan van Babylon, had deze prinses

in den droom gezien, en hij kwam, vergezeld van zijn zuster Abra, te

Trebizonde aan, om haar ten huwelijk te vragen. De Keizer was dadelijk

bereid zijn toestemming te geven, maar Lisuarte, die oudere rechten

op de jonge dame had, was van een andere meening, en zijn tegenstand

vertoornde den Sultan zóó hevig, dat hij tot krachtige maatregelen

overging, en »Trebizonde met de vele Torens« belegerde. Toen het beleg

geruimen tijd geduurd had, koos men uit beide legers eenige ridders,

om den strijd door tweegevechten te beslechten. Maar de paladijnen van

den Sultan werden verslagen door Gradaffile, de dochter van den Koning

van het Reuzeneiland, die zich als ridder vermomde, en die met zulk

een woede vocht, dat de ongelukkige Babyloniërs volkomen machteloos

tegenover haar waren. De Sultan echter brak, zooals de overwonnenen

in de romances dat veelvuldig deden, de regelen van het tournooi,

en ontvoerde Onoloria door een krijgslist.

Toen zijn vloot zich met groote snelheid van Trebizonde verwijderde,

ontmoette hij die van Amadis den Galliër, die op weg was naar deze

stad, om haar te ontzetten, en die blijkbaar niet was opgehouden

bij de Dardanellen door een of ander artikel van Internationaal

Recht. Het is natuurlijk onnoodig te vermelden, dat de Sultan gedood

werd. Maar de zucht tot kwaad was niet gestorven in het Babylonische

ras door den dood van den Sultan met den romantischen naam Zairo. Zijn

zuster Abra besteeg na hem den troon van Semiramis. Terwijl zij in

de gelukkige dagen voordat de vijandelijkheden tusschen haar broeder

en Lisuarte waren uitgebroken, in Trebizonde verblijf hield, was zij

onder de bekoring gekomen van dezen ridder, en zooals dat, wanneer

men tenminste de romanceschrijvers gelooven mag, gebruik was bij

de vrouwen van het Oosten, deed zij de eerste toenadering tegenover

het voorwerp harer genegenheid. Wij zullen hopen, dat hij haar niet

zoo ruw afwees, als de onhebbelijke Heer Bevis van Hamton dit deed,

toen de schoone Saraceensche Josiana hem hare boodschappers zond met

de bekentenis harer liefde:

Hij zei: »Waart gij geen afgezant,

Ik doodde u met eigen hand.

Geen voet verzet ik van den grond,

Voor zulk een vuilen heidenhond!

Zij is een hond, en dus onrein:

Mijn kamer uit, gij smerig zwijn!«

Maar Lisuarte wees Abra toch af, en alle haat, waartoe een

versmade vrouw in staat is, ontbrandde in den boezem der schoone

Babylonische. In haar groote wraakzucht, zond zij afgezanten naar

alle landen der aarde, met het verzoek, dat de geheele ridderschap

van ieder koninkrijk haar zou bijstaan om Lisuarte ten val te

brengen. Op haar rondreis naar de verschillende hoven, trof een

harer kamervrouwen Amadis van Griekenland, die, daar hij nog een

heiden was, gemakkelijk kon worden overgehaald tot de belofte, dat

hij niet zou rusten, voordat hij Lisuarte's hoofd aan Jonkvrouw Abra

zou hebben gebracht. Toen Amadis te Trebizonde aankwam, ontbrandde

er dus een gruwelijke strijd tusschen vader en zoon, die goddank werd

beëindigd door de verschijning van Urganda, die volgens haar gewoonte

de strijdenden met elkander bekend maakte. Maar de jonge Amadis

ontkwam evenmin als zijn vader dat deed, aan de liefdesbetuigingen van

heidensche prinsessen. Niquea, de dochter van een Oostersch Sultan,

was alleen reeds door de verhalen over hem, verliefd op hem geworden,

en zij had hem haar beeltenis gezonden, die door haar dwerg gemaakt

was. De bekoorlijkheden, die deze jonge dame ongetwijfeld bezat,

wogen echter niet op tegen de omstandigheid, dat ieder, die haar

verblindende schoonheid aanschouwde, òf stierf, òf beroofd werd van

zijn verstand. Haar vader, een verstandig man, sloot haar op in een

toren, waarin niemand werd toegelaten behalve de naaste familieleden,

die zooals meestal het geval is, niet zoo gemakkelijk onder den indruk

harer bekoorlijkheden kwamen als vreemden.

Ondanks zijn vroegere hartstochtelijke liefde voor de Prinses van

Sicilië, had Amadis nauwelijks het portret van Niquea aanschouwd,

of hij vergat zijn vorige aangebedene, en gaf zijn geheele hart

aan de Oostersche schoone. En opdat hij het geluk mocht smaken het

origineel van de beeltenis, die hem zoo verrukt had, met eigen oogen

te aanschouwen, vermomde hij zich als slavin, en werd hij toegelaten

tot den toren, waarin Niquea was opgesloten. Zij beloofden elkander

trouw en Amadis bleef in zijn vermomming in den toren. Onnoodig te

zeggen, dat de schoonheid van Niquea hem geen ongeluk aanbracht.

Laat ons nu terugkeeren tot de schoone doch wraakzuchtige Abra, die

een reusachtig leger had samengesteld en daarmede tegen Trebizonde

optrok. Na een verwoeden strijd werden de heidensche troepen natuurlijk

verslagen. Maar daar Onoloria intusschen zoo vriendelijk was geweest,

het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen, huwde Lisuarte, op

aanraden van zijn platonische vriendin Gradaffile, de Babylonische

Koningin, die dus gelukkiger was in de liefde dan in den oorlog.

Niquea had echter langzamerhand genoeg van haar gevangenschap, en

zij slaagde erin, met Amadis te vluchten; kort daarna kwamen zij te

Trebizonde aan, waar hun huwelijk voltrokken werd. Hun werd een zoon

geboren, dien zij Florisel van Niquea noemden, en die weer de held

is van een andere geschiedenis.

Deze romance eindigt, evenals die van Esplandian, met de betoovering

van de Grieksche helden en prinsessen in den »Toren van het Heelal«,

door den wijzen toovenaar Zirfea, die hen waarschuwde, dat dit de

eenige manier was, om aan de sterfelijkheid te ontsnappen. Maar

in afwijking van wat er op het Versterkte Eiland gebeurde, was de

betoovering waaraan zij zich in den wondertoren moesten onderwerpen,

niet een toestand van slaap, zoodat de betooverde ridders en hunne

jonkvrouwen in staat waren, zich ongeveer een eeuw lang genoegelijk met

elkander te onderhouden, een voordeel, dat zij zeer op prijs stelden,

omdat zij zoo lang van elkander gescheiden waren geweest.

Zelfs indien zij genoeg hadden gekregen van elkaars gezelschap,

behoefden zij zich nog niet te vervelen, want de vriendelijke en

zorgzame toovenaar had in den toren een toestel aangebracht, waardoor

zij alles konden aanschouwen, wat er in de buitenwereld gebeurde,

een bron van ontspanning en vermaak, waarvan mevrouw d'Aulnoy ook

gebruik heeft gemaak in één harer sprookjes.

De barbier en de priester van Cervantes waren vooral vijandig

gestemd tegenover Amadis van Griekenland en diens onmiddellijke

opvolgers. »Smijt het heele zoodje op het erf«, riep de priester uit;

»want ik zou liever mijn eigen vader verbranden als ik hem tegenkwam in

de kleeding van een dolenden ridder, dan dat ik Koningin Pintiquinestra

en den herder Darinel met zijn herderszangen en de gruwelijk overdreven

toespraken van den schrijver spaarde.«

Legenden en Romances van Spanje · 第 76 / 165 题