Maar het noodlot wilde, dat juist op dit tijdstip Amadis, die zich nu
den »Griekschen Ridder« noemde, met jonkvrouw Grasinda in Brittanje
aankwam. Hij wenschte incognito te blijven, en gaf daarom het strenge
bevel, dat zijn gevolg zijn naam niet mocht openbaren. Toen hij hoorde,
dat Oriana op het punt stond te worden uitgehuwelijkt aan den Keizer,
besloot hij, zijne maatregelen te nemen. Grasinda echter, gedachtig
aan zijn belofte, zich terwille van haar in elk avontuur te zullen
begeven, dat zij voor hem zou uitkiezen, zond een brief aan koning
Lisuarte, met de mededeeling, dat zij zichzelf schooner achtte dan
welke jonkvrouw dan ook van zijn Hof, en dat, wanneer een ridder
van een ander oordeel mocht zijn, hij zou moeten strijden met haar
kampioen, den Griekschen Ridder. De Romeinsche afgezanten vroegen
Lisuarte op deze uitdaging te mogen ingaan, en dit werd hun toegestaan.
Er volgde dan ook een hevig gevecht tusschen Amadis en de Romeinsche
ridders, welke laatsten een volkomen nederlaag leden. Maar de dag
brak aan, waarop Lisuarte volgens afspraak Oriana naar den Keizer
zenden moest, en ofschoon zij bezwijmde bij de gedachte, naar Rome
te worden gevoerd, bracht haar vader haar aan boord van het schip,
nam hartelijk afscheid van haar en staarde de Romeinsche galei na,
die zijn dochter wegvoerde van het witte strand van Brittanje.
Zoodra Amadis van de plannen van den Koning gehoord had, begaf hij
zich aan boord van zijn eigen schip, en wachtte de komst af van
het Romeinsche vaartuig, dat zijn aangebedene wegvoerde. Hij viel
de Italiaansche galei met woede aan, overrompelde de opvarenden,
bevrijdde Oriana en zeilde oogenblikkelijk met haar naar het gouden
strand van het Versterkte Eiland.
Na een reis van zeven dagen liep het schip van Amadis de haven van
het Versterkte Eiland binnen. Intusschen was jonkvrouw Grasinda daar
aangekomen en trad naar voren, om Oriana te verwelkomen, die zij
zoozeer wenschte te leeren kennen, omdat haar roem over de geheele
wereld verspreid was. En toen zij Oriana aanschouwde, »kon zij niet
gelooven, dat eenig sterfelijk wezen zóó verblindend schoon kon zijn.«
Oriana en de andere jonkvrouwen werden ondergebracht in een toren
van het paleis, dat de toovenaar Apolidon geschapen had, en op haar
verzoek mocht geen ridder dezen toren binnentreden, totdat haar vader
haar weder in genade had aangenomen. Amadis begreep zeer goed, dat
de ontvoering van Oriana ernstige gevolgen zou hebben, en hij zond
dus afgezanten naar zijne vele vrienden over de geheele wereld,
met het verzoek hem, zoo noodig, tegen Lisuarte en den Keizer te
willen bijstaan.
De twist, die tusschen zijn beide oude tegenstanders Amadis en
Koning Lisuarte gerezen was, bood den sluwen Archelaus een kans,
die hij niet ongebruikt wilde laten voorbijgaan. Daarom riep hij
verscheidene andere onruststokers te zamen en stelde hun voor,
wanneer de oorlog uitbrak tusschen Amadis en den Britschen Koning,
zich met hun strijdmacht te verbergen in de nabijheid van het slagveld,
en wanneer één der strijdende partijen de overwinning behaald had,
zouden zij de overblijfselen van beide legers aanvallen en hen op
deze wijze verdelgen. Dit onwaardige plan van den toovenaar vond
grooten bijval bij de ontevreden vorsten en kleinzielige koningen,
en zij besloten, het ten uitvoer te brengen.