Maar het noodlot en de inblazingen van kwaadwillige menschen zijn
dikwijls sterker dan de goedheid van koningen. De raadslieden van
Lisuarte overreedden hem tot het beleg van de laatste vesting der
reuzen, het Eiland Mongaza, dat slechts door vrouwen verdedigd
werd. Amadis en zijne ridders beschouwden deze onderneming als een
onridderlijke daad, en toen dit oordeel Lisuarte werd medegedeeld,
ontstak hij in toorn, en zond een oorlogsverklaring aan Amadis op
het Versterkte Eiland. Amadis antwoordde, dat, aangezien Madasima,
de dochter van Famongomadan, gehuwd was met Galvanes, een vriend
zoowel van Lisuarte als van hemzelf, het eiland niet meer bewoond
werd door vijanden van Lisuarte, en dat hij het dus met alle macht
verdedigen zou. En zoo scheepte hij zich dus in naar het eiland,
met een groot en goed uitgerust leger. Daar vonden zij een garnizoen,
dat in naam van Lisuarte de heerschappij had opgeëischt; het gelukte
hun deze overweldigers spoedig te verdrijven.
Amadis liet een flinke strijdmacht op het eiland achter, en vertrok
zoo spoedig mogelijk naar Gallië, omdat hij zich ongerust maakte
over Oriana. Toen hij met zijn schip een haven binnenliep om
levensmiddelen op te doen, was hij in de gelegenheid zijn broeder
Galaor en Koning Cildadan te verlossen uit de macht van een reus,
die hen in een hinderlaag gelokt had. Bij zijn terugkomst in Gallië
begroette Amadis zijne ouders, die hij in verscheidene jaren niet
gezien had. Intusschen was Lisuarte op het eiland Mongaza geland,
waar hij het leger van Galvanes, den rechtmatigen vorst, versloeg;
maar hij betoonde zich edelmoedig tegenover zijne overwonnen vijanden,
en stelde zich tevreden met de openlijke onderwerping van Galvanes
en zijn vrouw Madasima.
Nu leidde Amadis eenigen tijd een leven van ontspanning: hij jaagde,
vierde feest, en was tevreden met de goede berichten, die hij van zijn
geliefde kreeg. Door dit leven van werkeloosheid verloor hij den roep
van groote dapperheid, ofschoon de onbevooroordeelde lezer misschien
zou vinden, dat hij genoeg roem had geoogst om gedurende zijn verder
leven op te kunnen teren. »Jonkvrouwen, die een beleediging, haar
aangedaan, door hem gewroken wilden zien, vervloekten hem, omdat hij
in de beste jaren van zijn leven de wapenen ontrouw geworden was.«
Maar Amadis had zijne goede redenen om zoo te handelen; want een
brief van Oriana had hem in kennis gesteld met het feit, dat zij
hem een zoontje geschonken had, en zij smeekte hem, Gallië niet te
verlaten, voordat hij nader van haar gehoord had. Zij berichtte hem
niet, dat het kind verdwenen was, maar hierover zullen wij later meer
hooren. Na eenigen tijd schreef Oriana hem, dat zij hem verzocht,
niet de wapenen tegen haar vader te voeren, en Gallië slechts dan te
verlaten, wanneer hij zich aan de zijde van Lisuarte schaarde. Amadis
besloot dus Lisuarte bij te staan tegen den Koning der Eilanden,
met wien hij in oorlog gewikkeld was, en die zijn Koninkrijk was
binnengevallen.
De Maagd van Denemarken had het zoontje van Amadis en Oriana des
nachts door een donker woud weggevoerd, om hare meesteres voor schande
te bewaren. Toen zij het kind een oogenblik verlaten had, was een
leeuwin er mee weggeloopen, die het bij een kluizenaar gebracht had,
Nasciano geheeten; deze had het kind Esplandian genoemd, en het met
zijn eigen neefje opgevoed als jager; en het opmerkelijke bij dezen
jongen was, dat een leeuwin hem overal met groote liefde volgde,
zoowel in huis als op de jacht.
Intusschen had Amadis, die zich de »Ridder met het Groene Zwaard«
noemde, besloten, het leven van werkeloosheid, dat hij den laatsten
tijd geleid had, op te geven. Hij nam Ardian, den dwerg, met zich
mede, en begaf zich naar Duitschland, waar hij gedurende vier jaren
een avontuurlijk leven leidde, zonder eenig bericht van Oriana te
ontvangen. Daarna vertrok hij naar Bohemen, waar hij eenigen tijd
aan het Hof vertoefde.
Op zekeren dag ging Koning Lisuarte met de Koningin en zijne dochters
op de jacht, en kwam bij den berg, waar de kluizenaar Nasciano woonde;
daar ontmoette hij Esplandian, en hij besloot den knaap tot zich te
nemen. De kluizenaar toonde hem een brief, die aan Esplandians hals
gebonden was, toen Nasciano hem vond, en die door Urganda geschreven
was. De brief was bestemd voor Koning Lisuarte zelf, en bevatte den
raad, den jongen met liefde te behandelen, daar hij hem eenmaal uit
een groot gevaar zou verlossen. Lisuarte besloot dus, Esplandian
en zijn pleegbroeder Sargil als zijne schildknapen aan te nemen,
en toen de kluizenaar hem vertelde, dat het kind door een leeuwin
bij hem gebracht was, begreep Oriana, dat het haar zoon moest zijn;
want men had haar gezegd, dat de kleine jongen op den drempel van
het klooster was neergelegd, en dat een wild beest hem had weggevoerd.
Bij één zijner vele gevaarlijke en wonderbaarlijke avonturen,
was Amadis ernstig gewond door een monster, dat hij verslagen had,
en hij werd toen verpleegd door een jonkvrouw, Grasinda geheeten,
die hij, uit dankbaarheid voor hare vriendelijkheid en hulp, beloofd
had, op haar verlangen elk avontuur te zullen ondernemen. Ongeveer
in denzelfden tijd besloot El Patin, de Keizer van Rome, aanzoek te
doen om de hand van Oriana. Toen Koningin Sardamira van Sardinië,
die El Patin lief had, dit hoorde, reisde zij in gezelschap van de
afgezanten van den Romeinschen Keizer naar Brittanje, waar zij Oriana
ontmoette, wie zij bericht bracht over Amadis en wie zij vertelde,
hoe hij eenmaal El Patin in een hevigen strijd had overwonnen,
en hoe de Keizer hem dus een doodelijken haat toedroeg. Galaor,
die vermoedde, dat Amadis en Oriana elkander lief hadden, ging naar
Lisuarte, en gaf hem den ernstigen raad, niet zijne toestemming te
geven tot een huwelijk tusschen zijn dochter en den Keizer; daarna
reisde hij naar Gallië, in de hoop, daar eenig bericht over Amadis
te krijgen. Tegelijkertijd begaf Florestan zich naar het Versterkte
Eiland, om Agrayes in te lichten over de moeilijkheden, waarin Oriana
zich bevond, en hem tevens bericht te brengen van zijne geliefde
Mabilia, die zeer naar hem verlangde.