Na verloop van eenigen tijd bereikten zij het strand, en nadat hij zijn
paard aan de zeelieden had gegeven, ging Amadis met den kluizenaar
aan boord van een schip en voer naar de Kale Rots, zooals de monnik
de plaats zijner afzondering noemde. Daar deelde Amadis het leven van
ontbering van den kluizenaar, »niet uit godsvrucht, maar uit wanhoop,
niet denkende aan zijn roem als krijgsman, en verlangende naar den
dood--dit alles om de wreedheid eener vrouw!«
Durin, de page van Oriana, reisde terug naar het Britsche Hof,
en vertelde zijn meesteres, hoe Amadis haar brief had ontvangen,
en hoe schitterend haar ridder de proef van het Versterkte Eiland
had doorstaan. Toen wist Oriana, dat Amadis haar niet ontrouw kon
zijn geworden. Toen zij hoorde, dat hij in de woestijn was gegaan
om te sterven, kende haar schaamte en angst geen grenzen, en zij
schreef haren minnaar een berouwvollen brief, waarmede zij één harer
kamervrouwen, die »de Maagd van Denemarken« genoemd werd, en een
zuster was van Durin, naar hem toezond.
Nadat zij vertrokken was, kwam de ridder, dien Amadis overwonnen
had op den avond van den dag, waarop hij Oriana's wreeden brief had
ontvangen, aan het Britsche Hof, de wapenrusting van Amadis brengende,
die hij eenigen tijd na zijn ontmoeting met hem, op den rand van de
bron gevonden had. En toen Oriana zijn verhaal had aangehoord, was
zij zoozeer overtuigd, dat haar minnaar dood was, dat zij zich diep
bedroefd opsloot in hare vertrekken, en niet getroost wilde worden.
Intusschen dichtte Amadis, onder den indruk van zijn groot leed,
de volgende versregels:
Vaarwel, o roem! vaarwel, o krijgsmanseer en ridderspel!
Waarom te leven met een smart, oneindig groot?!
Roemvoller is een eed'le heldendood.
De trouwe dood, in zijn barmhartigheid
Zal eens mij brengen de vergetelheid.
Het graf zal van mijn wanhoop mij bevrijden,
Waar liefdeloosheid van een jonkvrouw mij deed lijden,
Die in haar trots niet slechts mijn leven heeft bedorven,
Maar ook den krijgsmansroem, in dapp'ren strijd verworven.
Het gebeurde, dat jonkvrouw Corisande, die Florestan liefhad, bij
de Kale Rots landde, en hare maagden hoorden de geschiedenis van
Amadis, die haar vertelde, dat hij Beltenebros heette, maar dat het
gedicht gemaakt was door een zekeren Amadis, dien hij vroeger gekend
had. Toen zij weder aan het Britsche Hof terug waren, zongen de jonge
meisjes het lied van Amadis voor Oriana, die toen wist, dat Amadis en
Beltenebros dezelfde waren. De »Maagd van Denemarken«, die uitgezonden
was, om Amadis te zoeken, werd door stormen overvallen en naar den
voet van de Kale Rots gedreven. [21] Zij landde met Durin en een
dienaar, Enil geheeten, en trof Amadis aan, biddende in een kapel;
en toen hij het gelaat van het meisje aanschouwde, bezwijmde hij.
Deze uitbundigheid in de liefde, hoe overdreven die ons ook
moge toeschijnen, is teekenend voor de laatste helft van de
middeleeuwen. Dat Amadis bezwijmde, alleen reeds door den aanblik van
iemand, die zijn geliefde gediend had, schijnt ons belachelijk toe,
en dat hij zich voor zijne geheele verdere leven zou terugtrekken
op een kale rots, omdat zijn geliefde hem wreed bejegend had, doet
menschen van onzen tijd, op zijn minst genomen, eenigszins vreemd aan.
Moet 'k, door liefdesmart geplaagd,
Sterven om een schoone maagd?
Maar wij moeten de opvattingen van het verleden zoo voorzichtig
hanteeren als het verkleurde borduurwerk onzer overgrootmoeders, dat in
stukken zou vallen, wanneer wij het ruw behandelden. Wanneer wij denken
aan de wijze, waarop Dante en Petrarca uiting gaven aan hunne vereering
voor de vrouw, en hoe de Hoven der Liefde het werk hebben voortgezet,
dat zij begonnen waren, kunnen wij er ons niet over verwonderen,
dat mannen, opgevoed in dergelijke opvattingen, en de vereering van
de vrouw beschouwende als bijna even belangrijk als de Godsvereering,
in staat waren zich over te geven aan zulke hartstochtelijke uitingen
van wanhoop, wanneer het voorwerp hunner aanbidding hen griefde of
verliet. Daarenboven is door alle eeuwen heen de mannelijke geest
uiterst gevoelig geweest voor vrouwelijke ongenade. Zooals wij
bv. duidelijk kunnen zien, wanneer wij levensbeschrijvingen lezen
van groote mannen, zooals Goethe.
Het genie heeft bijna altijd iets vrouwelijks en is geneigd tot
dweepzucht, zooals blijkt uit de Sonnetten van Shakespeare en de
verzen van Lovelace, en van vele andere dichters. Het mist het zuivere,
nuchtere verstand van den middelmatigen man, en door de combinatie van
mannelijke en vrouwelijke eigenschappen, is hij gedoemd, de gevoelens
van beide sexen te doorleven.
Maar wanneer deze vereering van de vrouw in het algemeen, en van de
besten onder haar in het bijzonder, binnen de grenzen van het normale
blijft, moet zij beschouwd worden als één van de groote stuwende
krachten der menschheid, iets, dat misschien meer dan iets anders heeft
bijgedragen tot de beschaving en den vooruitgang der wereld. En juist
in een romantisch werk, dat in ieder geval toch de aangewezen plaats
is voor zulke overdreven uitingen, behoort het jongere geslacht met
waardeering de teedere schoonheid en de groote bekoring op te merken
van een eeredienst, die, al is hij nog niet geheel dood, dan toch
zeker stervende is. Ik eisch niet van de moderne jeugd, dat zij deze
overdreven uitingen zal meevoelen; maar ik vraag haar een open oog
te hebben voor den fijnen geest, de groote ridderlijkheid, en bovenal
voor de ingetogenheid en het gevoel van eigenwaarde, die deze uitingen
kenmerkten. Het is een verblijdend teeken des tijds, dat de beide
sexen elkander beter leeren kennen. Maar wij moeten ons hoeden voor
een gemeenzaamheid, die leidt tot een gebrek aan waardeering. Wij
moeten nog iets overhouden van de ernst en de schoonheid van den
vroegeren omgang tusschen man en vrouw, en niet vervallen tot een
gebrek aan goede vormen, waaraan wij in latere jaren ongetwijfeld
met een gevoel van ergernis en zelfverwijt zullen terugdenken.
Toen Amadis uit zijn bezwijming ontwaakt was, overhandigde de Maagd van
Denemarken hem den brief van Oriana, en smeekte hem, tot haar terug te
keeren, opdat zij hem vergiffenis zou kunnen vragen voor het leed dat
zij hem had aangedaan. Hij nam dus afscheid van den goeden kluizenaar,
en voer met het schip, waarmede de Maagd van Denemarken gekomen was,
naar het Versterkte Eiland, waar hij eenigen tijd bleef, want hij
was nog te zwak om de lange reis naar Engeland te ondernemen. Maar na
verloop van tien dagen nam hij Enil als zijn schildknaap in dienst, en
hij begaf zich met Durin en diens zuster op weg naar het Engelsche Hof.