Toen Amadis, na afscheid van Oriana te hebben genomen, Brittanje
verlaten had, zond hij zijn dwerg Ardian naar het paleis terug, om de
stukken van een zwaard te halen, die hem door een jonkvrouw gegeven
waren met de bede den dood te wreken van haar vader, die door de hand
van een laffen moordenaar gevallen was. Amadis had als een goed ridder
beloofd het gebroken zwaard te bewaren, totdat hij den doode gewroken
had. Toen Oriana den dwerg zag, vroeg zij hem naar de reden van zijn
terugkomst, en Ardian zeide haar, dat Amadis een jonkvrouw beloofd had,
een zeker zwaard altijd te bewaren, en dat hij nu gekomen was, om het
te halen. Toen nam hij het zwaard, en liep er vlug mede heen. Oriana
maakte een verkeerde gevolgtrekking uit de woorden van den dwerg,
en daar zij Amadis verdacht van ontrouw jegens haar, schreef zij hem
een wreeden brief, dien zij een page ter hand stelde, met de opdracht,
niet terug te keeren, voordat hij Amadis gevonden had. Na een lange
reis vond hij Amadis op het Versterkte Eiland, en overhandigde hem
den brief.
Toen Amadis de koude en bittere woorden zijner geliefde gelezen had
scheen hij waanzinnig van droefheid. De page deelde hem mede, dat
Oriana geen antwoord van hem verwachtte. In zijn groote droefheid
liet Amadis Ysanjo, den Gouverneur van het eiland bij zich komen,
en verzocht hem, als een trouw ridder te zwijgen over alles wat
hij zien zou, totdat zijne broeder den volgenden morgen de Mis zou
hebben gehoord. Toen beval hij Ysanjo stil de poort van het paleis te
openen, zoodat hij ongemerkt zijn paard en zijne wapens zou kunnen
krijgen. Vergezeld door den braven Ysanjo, dien hij zeer was gaan
achten, begaf hij zich op weg naar een dichtbij gelegen kapel van
de Heilige Maagd; daar bad hij innig, dat zij zijn voorspraak zou
zijn bij haar Goddelijken Zoon, opdat hij hem genadig zou zijn, want
hij gevoelde, dat zijne dagen geteld waren. Daarna nam hij hartelijk
afscheid van den Gouverneur, besteeg zijn paard, en reed zonder schild,
speer of helm, heen.
Gandalin, de schildknaap van Amadis, en de zoon van den Schotschen
ridder Gandales, die bij al deze avonturen zijn meester nooit had
verlaten, raadpleegde Durin den page, die den wreeden brief van
Oriana naar het Versterkte Eiland gebracht had, en zij besloten, den
wanhopigen ridder te volgen, opdat hem geen kwaad zou overkomen. Zij
vonden hem spoedig in diepen slaap naast een bron, uitgeput door
zijn smart, en zij stoorden zijn slaap niet. Maar bij het vallen
van den nacht ontwaakte Amadis, en toen zijn groot leed weer tot hem
doordrong, barstte hij uit in droevige klachten over zijn rampzalig
lot. De schildknapen verborgen zich, maar Amadis ontdekte Gandalin,
en hij was zeer verstoord, dat deze hem gevolgd was. Om hem uit zijn
neerslachtigheid op te wekken, vertelde Gandalin hem, dat een ridder,
die evenals hijzelf door zijn geliefde verlaten was, in de bosschen
rondzwierf, dreigende, dat hij iedereen, die hem in den weg kwam,
zou dooden. Amadis wilde niets liever dan sterven en dus sprong
hij te paard en begaf zich met Gandalin op weg, om den woedenden
wreker te zoeken. Zij ontmoetten den onbekende dan ook spoedig,
en Amadis daagde hem in driftige bewoordingen uit. Er volgde een
woedend gevecht, waarin Amadis zijn tegenstander tenslotte zulk een
hevigen slag toediende, dat deze bewusteloos ter aarde viel. Amadis
liet den gewonden ridder over aan de zorgen van Durin en reed verder,
nog steeds gevolgd door Gandalin.
Toen Galaor, Florestan en Agrayes hoorden, in welk een wanhopenden
toestand Amadis het eiland verlaten had, besloten zij, hem te
volgen. Intusschen reed hij doelloos verder, en volgde onder tranen
en klachten de paden, waarlangs zijn paard hem voerde. Terwijl de
zorgzame Gandalin sliep, ontvluchtte de wanhopige minnaar hem, en trok
door de meest verlaten gedeelten van de woeste streek, waarheen hij
was afgedwaald. Spoedig kwam hij aan een vlakte aan den voet van een
berg, waar hij een kluizenaar ontmoette, wien hij verzocht, bij hem
te mogen blijven. De kluizenaar groette hem vriendelijk en Amadis
stortte zijn hart bij den goeden grijsaard uit, die hem vertelde,
dat hij op een hooge rots woonde, die meer dan zeven mijlen in zee
vooruitsprong. En de kluizenaar noemde hem Beltenebro, of »de Schoone
Sombere Ridder,« omdat hij even beminnelijk als bedroefd was.