AMADIS GAAT ONDER DEN BOOG DOOR.

Amadis was vergezeld van Agrayes, den zoon van koning Languines van

Schotland, en deze besliste, dat zij dadelijk zouden trachten onder

den boog door te gaan. Toen hij door de poort trad, deed de trompet,

die door het tooverbeeld werd omhoog geheven, zachte klanken hooren,

en hij ging het paviljoen binnen. Toen naderde Amadis den overdekten

gang, en de trompet blies nog luider en melodieuser dan zij eerst

gedaan had. Beide ridders richtten nu hunne schreden naar de

afgesloten kamer; zij zagen de plaat van Jaspis, waarop geschreven

stond: »Dit is Amadis van Gallië, de ware minnaar, zoon van koning

Perion.« Terwijl zij dit lazen, kwam Ardian, de dwerg van Amadis,

op hem toeloopen met de mededeeling, dat Galaor en Florestan, zijn

broeders, getracht hadden onder den boog door te gaan, maar dat zij

van alle kanten door onzichtbare handen waren aangevallen, en nu voor

dood waren achtergelaten. Amadis en Agrayes keerden dadelijk op hunne

schreden terug en vonden de jonge ridders in een toestand van diepe

bezwijming. Terwijl Amadis zijne broeders zoo goed mogelijk hielp,

trachtte Agrayes de afgesloten kamer binnen te treden, maar ook hij

ontving zulke slagen, dat hij het bewustzijn verloor.

Toen Galaor en Florestan zich eenigszins hersteld hadden van de

uitwerking der slagen, die zij van onzichtbare aanvallers ontvangen

hadden, vond Amadis, dat hij het aan de eer zijner geliefde verplicht

was, de groote onderneming te wagen, en te trachten de gesloten

kamer binnen te gaan, waarin nog geen ridder was binnengedrongen. Hij

raapte dus al zijn moed bijeen, overschreed den tooverlijn tusschen

de zuilen en voelde zich oogenblikkelijk bestookt door de onzichtbare

krijgslieden, die zijne metgezellen ook hadden aangegrepen. Hij hoorde

een verschrikkelijk geweld van stemmen, alsof alle ridders der geheele

wereld tegen hem schreeuwden, en de slagen daalden met verdubbelde

kracht en woede op hem neer. Maar de gedachte aan zijn geliefde maakte

hem sterk en hij hield stand. Zoo nu en dan kreeg hij stompen tegen

de knieën, en éénmaal werd het zwaard hem uit de hand geslagen; maar

hij worstelde verder, totdat hij de kamerdeur bereikte, die vanzelf

openging, om hem als het ware tot binnentreden te noodigen. Er werd

hem een hand toegestoken, die hem naar binnen trok, en een stem riep

uit: »Welkom, Gij ridder, die hier heerschen zult, want gij overtreft

in dapperheid hem, die deze plaats onder betoovering gebracht heeft,

en die in zijn tijd zijn gelijke niet had.« De hand die hem leidde,

was groot en hard als die van een ouden man, en de arm was bedekt

door een groen satijnen mouw. Zoodra Amadis in de kamer was verdween

de hand, en hij gevoelde zijne krachten terugkeeren.

Toen Florestan en Galaor en de geheele bevolking van het eiland

hoorden, dat de onderneming eindelijk geslaagd was, stroomden zij

naar het paleis, waarvan de betoovering nu verbroken was, en zij

bewonderden alle pracht en heerlijkheid ervan. Het was vol van de

wonderbaarlijkste schatten en kunstwerken, maar niets was heerlijker

te aanschouwen dan de standbeelden van Apolidon en Grymenysa.

Legenden en Romances van Spanje · 第 64 / 165 题