Apolidon, door toovermacht,
Bouwde een huis van wondre pracht
Op een eiland, waar geen enkel schip
Voer door de zee langs die eenzame klip.
Op de granieten zuilen van de poort
Grifte hij het strenge woord,
Dat slechts hij, die hem in deugden was gelijk,
Zou mogen komen in dit gezegend rijk.
Hangende terrassen glinsterend wit in de zon,
Schoon als de tuinen van koningin Semiramis van Babylon,
En de hoogte was van zulk een stralende pracht
Alsof de dag lag opgestapeld op den nacht,
En uit een groep van mirten, teedergroen,
Verrees een wit en heerlijk paviljoen,
Dat toescheen aan de zeelieden van ver,
Een op een weiland neergedaalde ster.
Tusschen paleis en zee vertoonde zich aan 't oog
Een tooverachtig fonkelende stralenboog
Met zon en sterren heerlijk bejuweeld;
En in die nis stond een betooverd beeld,
In welks ten hemel opgeheven hand
Een koperen klaroen scheen, lichtend als in fellen brand.
En als een ridder of een maagd
In overmoed het had gewaagd,
Geboren uit een vrij geslacht,
Minder in schoonheid en in macht
Dan toovenaar Apolidoon,
Of Grymenysa, wonderschoon,
Te treden in de tooverhal,
Dan zou, met bulderend geschal
De koperen klaroen uitbarsten in geweld,
Zoodat daar de vermetele werd neergeveld.
Maar als een jonkvrouw, hoog van naam,
Een ridder zonder vrees of blaam
Zou komen aan de poort,
Dan zouden in den zaal'gen hof
Fanfares, daverend van lof
En vreugde zijn gehoord.
Kristallen zuilen gaven aan de tooverlijn;
Een platte steen van jaspis of van serpentijn,
Waar, tusschen vlammende arabesken glinst'ren zou de naam
Des ridders of der jonkvrouw van zoo hooge faam,
Straalde op het Grieksch plaveisel; wie van beiden
Eenmaal de tooverlijn zou overschrijden,
Die zou aanschouwen in een glans, als stralend ijs
De heerschers uit dit wond're paradijs,
Gegoten in de bovenaardsche praal
Van glinsterend, onsterfelijk metaal.
Nog dieper in den hof plaatste de toovenaar
Voor Grymenysa, in zijn hoogen zin,
Als een verheerlijking van grenzenlooze min,
Een wacht voor haar vertrekken, vol gevaar:
Met negen zegels vol vervloeking, sloot hij haar ivoren deur
Opdat slechts 't edelst hart, dat ooit werd voortgebracht,
Aanschouwen zou die goddelijke pracht
En zich zou laven aan den bovenaardschen geur.
En opdat laagheid nimmer daar zou binnengaan,
Liet hij twee woeste geesten met de macht van Sheol in de zwaarden,
Onzichtbaar echter voor de oogen dezer aarde,
Als strenge wachters voor de kamer staan.
En alle draden van zijn wonderbaren geest,
Waren geweven in het geheimzinnig tooverspel
Rondom de schaduwen van deze citadel
Waar hij zoo lange tijden oppermachtig was geweest.
Toen ging hij uit die plaats van zaligheid,
Aanroepend alle geesten als beschermers dezer oorden:
Sabitu, Baphomet, Siduri, met zijn tooverwoorden,
En macht hun gevend tot in eeuwigheid.
En toen de maan verduisterde aan de lucht,
Toen is de toovenaar dit paradijs ontvlucht;
Hoe hij zijn rijk verliet, heeft niemand ooit gehoord,
En nimmer keerde hij terug naar 't zalig oord.
Maar nog zien herders in het morgenschemerlicht,
Gestalten zweven, witter dan de neev'len dicht,
En altijd hooren zij nog bij het vallend duister,
Een teeder zuchten en een lispelend gefluister.
Voordat hij het toovereiland verliet, had Prins Apolidon er een
gouverneur aangesteld, en hij had bevolen, dat wie er niet in slaagde,
door den eereboog te gaan en toch het geweldige trompetgeschal
overleefde, zonder vorm van proces van het eiland zou worden gegooid;
maar dat hij, die de proef glansrijk doorstond, ontvangen en gediend
zou worden met groot eerbetoon. Ook besliste hij, dat, wanneer het
eiland een nieuwen heerscher zou krijgen, de betoovering zou worden
opgeheven.
Toen de betoovering van het eiland ongeveer honderd jaar had geduurd,
ontmoette Amadis, die teeder afscheid van Oriana had genomen en op
avontuur was uitgetrokken, een jonge maagd, die hem van de wonderen
van het Versterkte Eiland vertelde, dat, zooals zij zeide, nauwelijks
twee dagen zeilen verwijderd was van de plaats, waar hij zich toen
bevond. Amadis zeide, dat hij niets liever wilde dan zijn geluk te
beproeven, en de vader der jonkvrouw, een machtig ridder, stemde erin
toe hem te vergezellen op zijn gevaarlijke onderneming. Toen zij bij
het Versterkte Eiland aankwamen, zagen zij het paviljoen, waarvan de
muren behangen waren met de schilden van hen, die vergeefs getracht
hadden, daar binnen te gaan; want ofschoon het verscheidenen gelukt
was, onder den boog door te gaan, was nog niemand tot het paviljoen
doorgedrongen. En toen Amadis zag, dat zoovele dappere ridders gefaald
hadden, ontzonk hem de moed.