Met het begin van het Tweede Boek treden wij een wonderbaarlijke
en geheimzinnige wereld binnen; dit boek kan in waarheid het Cor
Cordium, de spiegel, de quintessence der romantiek genoemd worden. Het
brengt ons in kennis met den Griekschen koningszoon Apolidon, die ons
beschreven wordt als een dapper ridder en een machtig toovenaar. Hij
stond zijne rechten af aan zijn jongeren broeder, en voer door de
Groote Zee, waar hij een eiland ontdekte, dat slechts door boeren
bewoond werd, en waar een machtige reus heerschte; dit eiland was
bekend als het Versterkte Eiland, en werd in verscheidene romances
bezongen als een waar paradijs.
Nadat hij den reus verslagen had, bleef Apolidon op het eiland wonen
totdat zijn broeder stierf en hij naar Griekenland terugkeerde; maar
voordat hij de plaats verliet, legde hij haar onder een machtige
betoovering, opdat geen ridder of jonkvrouw daar zou mogen wonen,
die niet zijn gelijke was in dapperheid, of niet even schoon als zijn
geliefde Grymenysa. De wonderen van dit tooverland zijn wel waard
beschreven te worden, en daar een groot gedeelte van de handeling
dezer romance zich daar afspeelt, zullen wij ons inschepen op de
toovergalei, die altijd gereed ligt in de haven der legende, en naar
het eiland zeilen, om op de betooverde kust te landen.
Hier volgt dan een beschrijving in dichtregels van het eiland.