Amadis besloot, dadelijk op weg te gaan naar Gallië, en dus nam hij
teeder afscheid van Oriana, en verliet, begeleid door zijn pleegbroeder
Gandalin, tegen den avond het paleis. Zij hadden nog niet lang gereden,
of zij ontmoetten de geheimzinnige toovenares, die, zooals wij gezien
hebben, zulk een levendig belang stelde in het lot van onzen held,
en wier naam Urganda was.
De fee groette Amadis bijzonder vriendelijk en gaf hem een lans ten
geschenke, zeggende, dat deze binnen drie dagen »het huis, waaruit hij
was voortgekomen, voor ondergang zou behoeden.« Zij was vergezeld van
een jonkvrouw, en toen Urganda vertrokken was, bleef deze bij hem, en
zeide, dat zij drie dagen met hem zou medereizen, en dat zij gewoonlijk
niet bij de toovenares was, maar haar nu toevallig had ontmoet. Zij
hadden nog niet ver gereden, toen zij bij een kasteel kwamen, waar zij
een schildknaap hoorden jammeren, dat zijn meester daarin bedreigd werd
door de bewoners. Amadis spoedde zich naar het voorplein, en ontdekte
Koning Perion, die zich heldhaftig verdedigde tegen twee ridders en
eenige soldaten. Met een kreet van woede viel Amadis de belagers aan,
zwaaide zijn zwaard in alle richtingen, en deelde zulke hevige slagen
uit, dat de verachtelijke ridders, die den Koning hadden aangevallen,
gedood werden, en dat hunne volgelingen op de vlucht werden gedreven.
Perion herkende Amadis oogenblikkelijk als den jongeling, dien hij
niet lang geleden tot ridder had geslagen. Zij verlieten te zamen
het kasteel, en namen bij een tweesprong afscheid van elkander, met
de wederzijdsche belofte, elkander in Gallië weder te ontmoeten. De
jonkvrouw, die Amadis tot zoover begeleid had, vertelde hem, dat zij
een afgezant van Oriana was, waarop Amadis bij het hooren van den naam
zijner Vrouwe, zóó begon te beven van vreugde, dat hij, als Gandalin
hem niet gesteund had, van zijn paard zou zijn gevallen. Toen nam
de jonkvrouw afscheid van hem, zeggende, dat zij haar meesteres zijn
succes zou melden.
Na verscheiden andere avonturen, kwam Amadis met Gandalin aan het
Hof van Koning Perion van Gallië aan. Zij hadden nog slechts eenige
oogenblikken gerust, toen zij de klaroenen van Koning Abies van
Ierland hoorden schallen voor den aanval op de stad. Zij bestegen
dadelijk hunne strijdrossen en deden met Agrayes en andere ridders een
uitval naar het vijandelijk leger. Er volgde een hardnekkige strijd,
waarin Amadis wonderen van dapperheid verrichtte. Perion en zijne
volgelingen vielen daarna den vijand aan, maar zij waren zooveel minder
in aantal dan het leger van Koning Abies, dat zij wel gedwongen waren,
terug te trekken. De dag werd echter weer goed gemaakt door Amadis,
die met zulk een woede vocht, dat paard noch man hem kon weerstaan, en
in het heetst van het gevecht doodde hij o.a. Daugavel, den lieveling
van Abies. Toen de Iersche Koning dit hoorde, was hij diep bedroefd,
en toen hij tegenover Amadis kwam te staan, daagde hij hem voor den
volgenden dag uit tot een tweestrijd op leven en dood. Zij kwamen dus
samen en na een verwoed tweegevecht, dat verscheidene uren duurde,
werd Abies verslagen; en hiermede nam de oorlog een plotseling einde.
Nu gebeurde het, dat Melicia, de dochter van Perion, haar ring
verloor, dien zij van haar vader gekregen had, denzelfden, dien de
Koning gedragen had, toen hij voor het eerst Elisena ontmoette, en
die het duplicaat was van den ring, dien hij haar geschonken had, en
dien zij om den hals van Amadis had gebonden, toen zij zich van hem
ontdeed. Om te voorkomen, dat haar vader het verlies zou bemerken,
gaf Amadis zijn eigen ring aan de prinses. Maar de Koning vond zelf
het verloren kleinood en stelde een onderzoek in naar de herkomst van
den tweeden ring. Door de bekentenis van Melicia, en de herkenning
van het zwaard, dat Amadis droeg, kwam Perion tot de overtuiging,
dat Amadis niemand anders zijn kon dan zijn lang verloren zoon; en
toen de jonge ridder zijn levensgeschiedenis verhaalde, en hoe hij
in zee was gevonden, verdween elke twijfel der ouders omtrent zijn
identiteit. Zij waren zielsgelukkig, dat zij hem hadden teruggevonden,
en erkenden hem in het openbaar als den troonopvolger.
Wij moeten nu weer den levensloop volgen van den broeder van Amadis,
Galaor, die als kind zoo plotseling door den reus was weggevoerd. Hij
was opgegroeid tot een dapper en behendig jongeling, en daar hij
gehoord had, dat aan geen enkel Hof zulk een ridderlijke geest
heerschte als aan dat van Koning Lisuarte van Brittanje, besloot
hij daarheen te reizen, in de hoop, daar den ridderslag te mogen
ontvangen. Zijn pleegvader, de reus, vergezelde hem, en zij hadden
nog slechts twee dagen gereisd, toen zij aan het kasteel kwamen van
een wreeden ridder, die, geholpen door zijne ondergeschikten, juist
een eenzamen krijgsman aanviel. Galaor snelde hem te hulp en slaagde
erin, de bende te verslaan. Galaor vatte zulk een liefde op voor
den vreemdeling, dat hij verzocht, uit zijne handen den ridderslag
te mogen ontvangen. Deze gunst werd hem met vreugde verleend, en
nadat Amadis--want hij was de vreemde ridder--vertrokken was, vroeg
Galaor een jonkvrouw, die hij plotseling naast zich vond staan, of
zij den naam kende van den ridder, dien hij zoojuist geholpen had. De
jonkvrouw, de toovenares Urganda, antwoordde, dat hij Amadis heette
en dat hij de eigen broeder van Galaor was. Toen Galaor dit hoorde,
was hij uitgelaten van vreugde, maar zijn vreugde was vermengd
met groote droefheid, omdat hij hun verwantschap niet ontdekt had,
voordat zij afscheid van elkander hadden genomen.
Nadat de toovenares Galaor had ingelicht, reisde zij Amadis achterna,
die op weg was naar het Hof van Koning Lisuarte in Windsor. Zij
vertelde hem, dat het zijn broeder Galaor was, die hem bevrijd had,
het kind, dat zijn ouders ontstolen was. Dit bericht verrukte hem,
maar bedroefde hem tevens.
Gesterkt door deze merkwaardige ontmoeting, vervolgde Galaor zijn
reis, die ten doel had, de rots Galtares voorgoed te ontrukken aan
de wreede heerschappij van den reus, die haar veroverd had.
Een reis van eenige dagen bracht hem op de plaats zijner bestemming,
en op zijn uitdaging kwam de reus naar buiten, gezeten op een geweldig
strijdros, en de vreeselijkste bedreigingen uitstootende. Hij reed
onmiddellijk op den jongen ridder toe, in de hoop, met één slag den
strijd te beslechten. Maar toen hij woest zijn knots zwaaide, trof hij
zijn eigen paard; hij viel met donderend geweld ter aarde, en Galaor
reed over zijn lichaam heen. Daarbij viel hij echter van zijn ros,
en ontving een vreeselijken vuistslag van den reus, maar hij herstelde
zich spoedig, trok zijn zwaard, en sneed den arm van het monster bij
den schouder af. Feitelijk was hiermede de strijd geëindigd, want
met een tweeden slag van zijn zwaard, onthoofde hij zijn tegenstander.
Amadis kwam nu aan het Hof van Koning Lisuarte, werd daar opgenomen in
den kring van ridders en was daar spoedig de ziel hunner ondernemingen,
zoodat hij in korten tijd beroemd was als een der edelste paladijnen
van de Christelijke ridderschap. Zijne avonturen aan het Hof van
Lisuarte zouden boekdeelen kunnen vullen; zijne voornaamste praestaties
waren een verdelgingsoorlog tegen de reuzen, de nederlaag van den
overweldiger Barsinan en den toovenaar Archelaus, benevens een groote
menigte krijgsverrichtingen, te veel om ze hier te beschrijven. Zijne
heldendaden zijn samengeweven met die van zijn broeder Galaor, met
wien hij eens zelfs in fellen strijd geraakte, daar geen van beiden
den ander herkende door de wapenrusting.