Ongeveer in denzelfden tijd landde Koning Lisuarte van Brittanje
in een Schotsche haven, waar hij met veel eerbetoon ontvangen werd
door Koning Languines. Lisuarte had zijn echtgenoote Brisena en zijn
bekoorlijk dochtertje Oriana bij zich, het schoonste schepseltje
ter wereld; en omdat zij zoo'n last van zeeziekte had, besloten
de ouders haar eenigen tijd aan het Schotsche Hof te laten. Amadis
was nu twaalf jaren oud, maar hij leek wel vijftien, zóó groot en
forsch was hij, en de Koningin stelde hem aan als page van Oriana,
die zeide, dat zij »dit prettig vond«. Amadis koesterde deze woorden
in zijn hart, zoodat hij ze nimmer meer kon vergeten. Maar hij wist
niet, dat Oriana hem lief had, en hij had groot ontzag voor dit lieve
en ernstige kleine meisje, voor wie hij zulk een diepe genegenheid
opvatte. De stille liefde, die deze kinderen elkander toedroegen,
was aandoenlijk schoon, maar zij bleef onuitgesproken, want Amadis
was zeer bescheiden en Oriana was een ingetogen meisje.
In het hart van Amadis ontwaakten hooge gevoelens van ridderlijkheid,
zoodat hij ten slotte Koning Languines verzocht, hem tot ridder te
slaan. Languines was zeer verbaasd, dat deze jongen verlangde naar
een eer, die hem zulke zware verplichtingen zou opleggen, maar hij
ging op het verzoek in, en gaf bevel, dat er wapens voor hem gesmeed
zouden worden. Hij zond Gandales, den ridder die hem in zee gevonden
had, het bericht van de plannen van den jongen, en Gandales stuurde
een afgezant naar het Hof, met het zwaard, den ring en het perkament,
die hij in de ark had gevonden bij den kleinen zeevaarder.
Deze zaken werden Amadis als zijn eigendom ter hand gesteld, en
toen hij dit alles aan Oriana toonde, vroeg zij hem de was, die het
perkament voor bederf bewaarde, niet wetende, dat het een gewichtig
document was, en natuurlijk gaf hij het haar. Korten tijd daarna
bracht Koning Perion een bezoek aan Languines, om hem zijn hulp te
vragen tegen Koning Abies van Ierland, die Gallië was binnengevallen
met zijn geheele strijdmacht. Daar Amadis wist, welk een grooten
naam Perion had als krijgsman, wilde hij liefst door zijn hand
tot ridder worden geslagen, en hij vroeg de Koningin, hierin zijn
voorspraak te zijn. Maar zij was bedroefd en afgetrokken en lette
niet op zijn vraag. Hij vroeg Oriana naar de oorzaak dezer droefheid,
en zij antwoordde: »Kind van de Zee, dit is de eerste vraag, die gij
mij ooit gedaan hebt.«
»Ach jonkvrouw«, zeide Amadis, »ik ben niet waard iets te vragen aan
iemand zooals gij.«
»Wat?« riep zij uit, »is uw hart zóó zwak?«
»O, jonkvrouw«, antwoordde hij, »het is te zwak in alles wat u betreft;
maar het zou u willen dienen, alsof het uw eigendom was.«
»Mijn eigendom«, zeide Oriana verward, »en sedert wanneer?«
»Sinds gij »het prettig vondt«, antwoordde Amadis met een
glimlach. »Weet gij niet meer, dat dit uwe woorden waren, toen de
Koningin mij voor uw dienst bestemde?«
»Ik vind het heerlijk, dat het zoo werd geschikt«, zeide Oriana
verlegen; en daar zij zag, dat Amadis zeer ontroerd was door haar
allerliefst antwoord, sloop zij weg, om de Koningin naar den reden
van haar droefheid te vragen.
De Koningin vertelde haar, dat zij treurig was, omdat vijanden het
Koninkrijk harer zuster Elisena waren binnengevallen, en Oriana
keerde tot Amadis terug en legde hem uit, waarom de Koningin niet op
zijn vraag had gelet. Daarop gaf Amadis als zijn wensch te kennen,
naar Gallië te gaan, om tegen de Iersche overweldigers te strijden,
en Oriana juichte dit plan met geestdrift toe. »Gij zult als mijn
ridder ten strijde trekken,« zeide zij eenvoudig en lieftallig. Amadis
kuste haar hand, en verzocht haar, Prinses Mabilia, Perions dochter
(en dus de zuster van Amadis) te vragen, er op aan te dringen, dat
haar vader Amadis tot ridder zou slaan. Het meisje beloofde hem dit,
en Koning Perion was zeer ingenomen met den vurigen wensch van den
jongeling, het beroep van krijgsman te volgen. Hij verzocht hem dus
te knielen, gaf hem den ridderslag, bevestigde de ridderlijke sporen
aan zijne hielen, en gordde hem het zwaard aan.