Op tooverheuvel staat een heerlijk slot;
Betreed met mij de lichte tooverpaden,
Waarop ééns jonkvrouwen en ridders traden;
Beklim den heuvel, want u wacht een hoog genot:
Uw blik zal waren langs de schoone dreven,
De wegen, waar nog zweeft gestorven heerlijkheid
Van roem en glorie uit den schoonen tijd,
Die in aloude verzen is beschreven.
De wapenrusting glinsterend in teere kleuren,
Vergeten schimmen uit het licht verleden,
Verbleekte flarden van veroverde banieren,
Doordrongen van de onsterfelijke geuren
Van d'ouden tijd! O, kom met mij getreden:
De Moorsche Fantasie gaat hoogtij vieren!
Menig venster in het aloude kasteel van de Spaansche Romantiek geeft
het uitzicht op tafereelen van fantastische schoonheid of sombere
grootschheid, maar geen enkel verschaft ons zulk een schitterend
afwisselend en kleurrijk vergezicht, als het hooge torenvenster, van
waaruit wij die omgeving van wonderen en hooge ridderlijkheid kunnen
aanschouwen, waar de beroemde geschiedenis van den dapperen Amadis den
Galliër zich heeft afgespeeld. Het venster, waarvan hier sprake is,
bevindt zich in een hoogen toren van een eeuwenoud kasteel en toont
ons de soort van landschap, die de wevers van oude tapijten, of de
fantastische schilders van het oude Florence zoo lief hadden. Beneden
ons ligt een vorstelijk domein van heerlijk weiland, waar zilveren
beekjes doorheen stroomen; naar het Noorden toe verrijzen heuvels,
waarop kasteelen gebouwd zijn. Daarachter, ver verwijderd, en meer
gelijkend op lucht dan op aarde, verheffen zich de blauwe, scherp
geteekende toppen van spookachtige bergen. Dit schouwspel van bijna
bovennatuurlijke schoonheid geeft bij den eersten aanblik den indruk
van onvergelijkelijken rijkdom van kleur en schittering. Het weiland
is bezaaid met Moorsche tenten, en tegen de lucht teekenen zich de
heldere kleuren van wimpels en de gouden pracht van banieren af. Het
geschitter der wapenen prikkelt het bloed, evenals het geschal der
krijgsmuziek. Wonderbaarlijke marmeren paleizen, wit als gebeeldhouwd
ijs, verrijzen aan de grens van tooverachtige bosschen, of glinsteren
op een vooruitspringende vlakte van het gebergte, en hunne tuinen
en terrassen loopen schuin af naar een stil en eenzaam strand. Het
tooneel is inderdaad »schoon als een stukje van het Paradijs.«
Zóó schijnt ons het verhaal van Amadis toe, wanneer wij voor het
eerst bladeren in dit levendige en kleurige boek. Maar wanneer wij,
met behulp van den tooverspiegel van den romancedichter, er een
dieperen blik in slaan, dan zien wij, dat op sommige plaatsen het
heldere tooneel in diepe schaduwen ligt. Naast de lichte heuvelen
liggen diepe bergklooven, donker als de nacht, waarin allerlei
monsters krioelen en zich vermenigvuldigen. De vorstelijke kasteelen,
de lichte paleizen, herbergen dikwijls vogelvrije roovers en booze
toovenaars. Afschuwelijke reuzen wonen in de bergen of op de boschrijke
eilanden, die uit de lichtblauwe zee verrijzen, en draken bevolken de
rotsen en bosschen. Maar al bevat het gedicht sombere naast lichte
gedeelten, de atmospheer van Amadis is doortrokken van zulk een
glans, dat wij eindigen met ook de donkere plaatsen lief te krijgen;
wij gevoelen, dat de gruwelen, die zij bevatten, slechts een sterker
product zijn van den wijnstok der romantiek, een bijzondere oogst,
die bedwelming geeft.
En wanneer wij tot aan het vallen van den avond op onze observatiepost
blijven, en de tooverachtige maansbelichting van deze wonderbare
streek aanschouwen, dan zal ons een nog bezielender drank worden
toegereikt uit den beker der romantiek. In het geheimzinnige maanlicht
glinstert de wapenrusting als zilver in een bovenaardsche blankheid;
bloedroode lichten stralen uit de torenkamers der toovenaars, en de
bevallige gestalten van nymphen dwalen tusschen zee en bosch als
levende manestralen. Uit de woestijnen tusschen de heuvelen en de
ver verwijderde bergen, komen de kreten van roofzuchtige monsters,
en de geheele fantastische wereld van Toovenarij is tot leven ontwaakt.
Is het dan een wonder, dat, toen dit heerlijke schouwspel aan de oogen
van een volk van ridders werd geopenbaard, er zulk een geestdriftig
gejuich opging, als waarmee slechts weinig voortbrengselen der
letterkunde begroet werden? De schrijver van Amadis ontsluierde
voor de ridderschap van Spanje die wereld, waarvan zij gedroomd
had. Elke ridder voelde in zich de mogelijkheid van een Amadis
en iedere jonkvrouw vond in zichzelf de eigenschappen van een
Oriana. De geest en de stemming van het boek veroverden de Spaansche
ziel volkomen, verbonden grovere idealen, en schiepen een nieuw
wetboek van gebruiken en opvattingen. De intrige van het verhaal
en de verschillende gebeurtenissen, die er uit voortkomen, zijn een
samenhangend geheel en niet slechts een opsomming van afzonderlijke
krijgsverrichtingen, of vervelende beschrijvingen van kleederen,
uitrustingen of architectuur, afgewisseld door het gebluf van ruwe
ridders of breedsprakige koningen, zooals dat bij de Cantares de
gesta het geval was geweest. Daarenboven was het geheel doorweven met
de liefdes-philosophie van ridderlijkheid, volgens welke de vrouw,
inplaats van het eigendom of een stuk speelgoed van den man te zijn,
werd verheven tot een oppermachtig voorwerp van vereering, zooals
dat nooit gedroomd was door de ruwere dichters der Cantara.