HOOFDSTUK III. »AMADIS DE GALLIËR«.

Op tooverheuvel staat een heerlijk slot;

Betreed met mij de lichte tooverpaden,

Waarop ééns jonkvrouwen en ridders traden;

Beklim den heuvel, want u wacht een hoog genot:

Uw blik zal waren langs de schoone dreven,

De wegen, waar nog zweeft gestorven heerlijkheid

Van roem en glorie uit den schoonen tijd,

Die in aloude verzen is beschreven.

De wapenrusting glinsterend in teere kleuren,

Vergeten schimmen uit het licht verleden,

Verbleekte flarden van veroverde banieren,

Doordrongen van de onsterfelijke geuren

Van d'ouden tijd! O, kom met mij getreden:

De Moorsche Fantasie gaat hoogtij vieren!

Menig venster in het aloude kasteel van de Spaansche Romantiek geeft

het uitzicht op tafereelen van fantastische schoonheid of sombere

grootschheid, maar geen enkel verschaft ons zulk een schitterend

afwisselend en kleurrijk vergezicht, als het hooge torenvenster, van

waaruit wij die omgeving van wonderen en hooge ridderlijkheid kunnen

aanschouwen, waar de beroemde geschiedenis van den dapperen Amadis den

Galliër zich heeft afgespeeld. Het venster, waarvan hier sprake is,

bevindt zich in een hoogen toren van een eeuwenoud kasteel en toont

ons de soort van landschap, die de wevers van oude tapijten, of de

fantastische schilders van het oude Florence zoo lief hadden. Beneden

ons ligt een vorstelijk domein van heerlijk weiland, waar zilveren

beekjes doorheen stroomen; naar het Noorden toe verrijzen heuvels,

waarop kasteelen gebouwd zijn. Daarachter, ver verwijderd, en meer

gelijkend op lucht dan op aarde, verheffen zich de blauwe, scherp

geteekende toppen van spookachtige bergen. Dit schouwspel van bijna

bovennatuurlijke schoonheid geeft bij den eersten aanblik den indruk

van onvergelijkelijken rijkdom van kleur en schittering. Het weiland

is bezaaid met Moorsche tenten, en tegen de lucht teekenen zich de

heldere kleuren van wimpels en de gouden pracht van banieren af. Het

geschitter der wapenen prikkelt het bloed, evenals het geschal der

krijgsmuziek. Wonderbaarlijke marmeren paleizen, wit als gebeeldhouwd

ijs, verrijzen aan de grens van tooverachtige bosschen, of glinsteren

op een vooruitspringende vlakte van het gebergte, en hunne tuinen

en terrassen loopen schuin af naar een stil en eenzaam strand. Het

tooneel is inderdaad »schoon als een stukje van het Paradijs.«

Zóó schijnt ons het verhaal van Amadis toe, wanneer wij voor het

eerst bladeren in dit levendige en kleurige boek. Maar wanneer wij,

met behulp van den tooverspiegel van den romancedichter, er een

dieperen blik in slaan, dan zien wij, dat op sommige plaatsen het

heldere tooneel in diepe schaduwen ligt. Naast de lichte heuvelen

liggen diepe bergklooven, donker als de nacht, waarin allerlei

monsters krioelen en zich vermenigvuldigen. De vorstelijke kasteelen,

de lichte paleizen, herbergen dikwijls vogelvrije roovers en booze

toovenaars. Afschuwelijke reuzen wonen in de bergen of op de boschrijke

eilanden, die uit de lichtblauwe zee verrijzen, en draken bevolken de

rotsen en bosschen. Maar al bevat het gedicht sombere naast lichte

gedeelten, de atmospheer van Amadis is doortrokken van zulk een

glans, dat wij eindigen met ook de donkere plaatsen lief te krijgen;

wij gevoelen, dat de gruwelen, die zij bevatten, slechts een sterker

product zijn van den wijnstok der romantiek, een bijzondere oogst,

die bedwelming geeft.

En wanneer wij tot aan het vallen van den avond op onze observatiepost

blijven, en de tooverachtige maansbelichting van deze wonderbare

streek aanschouwen, dan zal ons een nog bezielender drank worden

toegereikt uit den beker der romantiek. In het geheimzinnige maanlicht

glinstert de wapenrusting als zilver in een bovenaardsche blankheid;

bloedroode lichten stralen uit de torenkamers der toovenaars, en de

bevallige gestalten van nymphen dwalen tusschen zee en bosch als

levende manestralen. Uit de woestijnen tusschen de heuvelen en de

ver verwijderde bergen, komen de kreten van roofzuchtige monsters,

en de geheele fantastische wereld van Toovenarij is tot leven ontwaakt.

Is het dan een wonder, dat, toen dit heerlijke schouwspel aan de oogen

van een volk van ridders werd geopenbaard, er zulk een geestdriftig

gejuich opging, als waarmee slechts weinig voortbrengselen der

letterkunde begroet werden? De schrijver van Amadis ontsluierde

voor de ridderschap van Spanje die wereld, waarvan zij gedroomd

had. Elke ridder voelde in zich de mogelijkheid van een Amadis

en iedere jonkvrouw vond in zichzelf de eigenschappen van een

Oriana. De geest en de stemming van het boek veroverden de Spaansche

ziel volkomen, verbonden grovere idealen, en schiepen een nieuw

wetboek van gebruiken en opvattingen. De intrige van het verhaal

en de verschillende gebeurtenissen, die er uit voortkomen, zijn een

samenhangend geheel en niet slechts een opsomming van afzonderlijke

krijgsverrichtingen, of vervelende beschrijvingen van kleederen,

uitrustingen of architectuur, afgewisseld door het gebluf van ruwe

ridders of breedsprakige koningen, zooals dat bij de Cantares de

gesta het geval was geweest. Daarenboven was het geheel doorweven met

de liefdes-philosophie van ridderlijkheid, volgens welke de vrouw,

inplaats van het eigendom of een stuk speelgoed van den man te zijn,

werd verheven tot een oppermachtig voorwerp van vereering, zooals

dat nooit gedroomd was door de ruwere dichters der Cantara.

Legenden en Romances van Spanje · 第 54 / 165 题