De Cid zond zijne afgezanten naar Koning Alfonso om hem in kennis
te stellen met den grooten smaad, zijne dochters aangedaan door de
Infantes, en hem zijn steun te verzoeken, opdat gerechtigheid zou
geschieden. De Koning was zeer verontwaardigd over het gebeurde, en
beval, dat het Hof te Toledo zou bijeenkomen, en dat de Infantes daar
zouden verschijnen, om zich over hun misdaad te verantwoorden. Zij
verzochten toestemming on weg te blijven, maar de Koning weigerde
beslist iedere uitvlucht, en eischte, dat zij oogenblikkelijk gehoor
zouden geven aan zijn oproep. Met grooten tegenzin reisden zij naar
Toledo, in gezelschap van Graaf Don Garcia, Asur González, Gonzalo
Asurez en verscheiden vazallen, in de hoop, door uiterlijk vertoon
den Cid ontzag in te boezemen. Spoedig kwam ook de Campeador aan
het Hof aan, met eenige beproefde strijders, allen tot de tanden
gewapend. Hij droeg een kostbaar gewaad van rood fluweel met goud
geborduurd, en zijn baard was met een koord samengebonden. Toen hij
binnentrad, verrees het geheele Hof om hem te begroeten, behalve de
Infantes van Carrión met hun gevolg, want hij leek een hoog edelman,
en de Infantes waagden het niet, hem aan te zien.
»Vorsten, baronnen en edelen«, zeide Koning Alfonso, »ik heb
u opgeroepen, om in de zaak van den Cid Campeador recht te
spreken. Zooals gij allen weet, is zijne dochters groote schande
aangedaan, en ik heb rechters aangesteld, om deze zaak te onderzoeken
en de waarheid aan het licht te brengen, want ik verdraag geen onrecht
in Christelijk Spanje. Ik zweer bij het gebeente van San Isidro,
dat hij, die deze zitting verstoort, uit mijn koninkrijk zal worden
verbannen, en mijn liefde zal verbeuren, en dat ik zal staan aan de
zijde van hem, die zijn recht zal kunnen bewijzen. Laat nu de Cid
zijn klacht indienen, en wij zullen de verdediging van de Infantes
van Carrión hooren.«
Toen verrees de Cid van zijn zetel en er was geen edeler figuur onder
al deze hooge ridders aan het Hof.
»Mijn Heer en Koning«, zeide hij, »niet alleen mij hebben de Infantes
van Carrión beleedigd, maar ook u, die hun mijne dochters ten huwelijk
hebt gegeven. Laat hen, nu zij mijn schoonzoons niet langer zijn,
mij eerst mijne zwaarden Colado en Tizon teruggeven.«
Toen de Infantes den Cid zoo hoorden spreken, dachten zij, dat hij niet
verder tegen hen zou optreden, wanneer hij zijne zwaarden maar terug
had, en dus overhandigden zij deze in allen vorm aan den Koning. Maar
het was de bedoeling van den Cid, hen te treffen met alle middelen,
die hem ten dienste stonden, en toen hij dus de kostbare zwaarden
uit de hand van Alfonso had ontvangen, bood hij ze oogenblikkelijk
Felix Muñoz en Martinez Antolinez aan, daarmede te kennen gevende,
dat hij ze niet voor zichzelf begeerd had. Daarna wendde hij zich
weer tot den Koning.
»Heer«, zeide hij, »toen de Infantes Valencia verlieten, gaf ik hun
drieduizend Marken in goud en zilver ten geschenke. Laat hen, nu zij
mijne schoonzoons niet langer zijn, mij dit geld teruggeven.«
»Neen«, riepen de Infantes uit, »wanneer wij daartoe gedwongen worden,
verarmt de landstreek Carrión.« Maar de rechters eischten, dat de som
oogenblikkelijk betaald zou worden. De verraderlijke prinsen konden
zulk een schat niet in geld opbrengen, en dus besliste het Hof, dat
zij dan in natura moesten betalen. Toen zagen de Infantes, dat er geen
ontkomen aan was, en dus brachten zij den Cid verscheiden prachtige en
kostbaar getuigde rijpaarden, die zij grootendeels van de leden van
hun gevolg moesten leenen, waardoor zij voor de eerstvolgende jaren,
groote verplichtingen op zich moesten nemen.