Groot was de droefheid van den Cid en van Donna Ximena, toen zij
afscheid namen van hunne dochters Elvira en Sol, want zij waren
niet gerust over haar lot. Maar zij droegen Felix Muñoz op, hunne
dochters goed te bewaken, en hij beloofde dit te zullen doen. Na een
reis van enkele dagen moest het gezelschap het groote woud van Corpes
doortrekken, waar zij op een open plek hunne tenten opsloegen en den
nacht doorbrachten. In den morgen zonden de Infantes de leden van
hun gevolg vooruit, namen de zadelriemen van hunne paarden en sloegen
daarmede de dochters van den Cid op gruwelijke wijze. De ongelukkige
vrouwen smeekten te mogen sterven, liever dan deze schande te moeten
ondergaan, maar de wraakzuchtige Infantes lachten verachtelijk,
bespotten haar en mishandelden haar zóó schandelijk, dat zij haar
voor dood achterlieten. »Zoo,« zeiden zij, »is de schande van het
avontuur met den leeuw gewroken.« Daarop bestegen zij hunne paarden
en reden heen.
Toen de verlaten en vernederde vrouwen bloedend in het gras lagen,
kwam Felix Muñoz, haar neef, die den nacht in een ander gedeelte van
het bosch had doorgebracht, aangereden, en toen hij haar ongelukkigen
toestand zag, haastte hij zich, haar te helpen. Nadat hij hare wonden
zoo goed mogelijk verbonden had, reed hij vlug naar de naastbijgelegen
stad en kocht daar kleederen en paarden voor haar, zooals haar rang
dat eischte.
Toen het bericht van dit alles den Cid te Valencia bereikte, werd
zijn hart vervuld van toorn; hij gaf daaraan echter geen uiting,
maar bleef mokken over de schande, zijne dochters aangedaan. Na
enkele uren riep hij uit: »Bij mijn baard! dit zal den Infantes van
Carrión geen voordeel brengen!« Spoedig daarna kwamen de dames Elvira
en Sol te Valencia aan en hij ontving haar liefdevol maar niet met
beklag. »Welkom, dochters,« zeide hij, »God behoede u voor kwaad. Ik
heb dit huwelijk aanvaard, omdat ik het niet kon tegengaan. God geve,
dat ik u spoedig gelukkiger gehuwd zie, en dat ik mij zal kunnen
wreken op mijn schoonzoons van Carrión.«