De Infantes van Carrión, die niet veel lust hadden in een langdurigen
oorlog met de Mooren, besloten, bij de eerstvoorkomende gelegenheid
naar hun eigen grondgebied terug te keeren. Maar, als om hen te
beschamen, verscheen de strijdlustige Bisschop Jerome tot de tanden
gewapend voor den Cid, en smeekte hem, aan het gevecht te mogen
deelnemen. De Cid gaf glimlachend zijn toestemming, en oogenblikkelijk
daarna besteeg de dappere geestelijke een reusachtig strijdros en rende
in vollen draf de poort uit en den Saracenen tegemoet. Bij het eerste
samentreffen doodde hij er dadelijk twee, maar hij had het ongeluk,
zijn lans te breken. Niet in het minst uit het veld geslagen, trok deze
vurige zoon van de Kerk het zwaard, zwaaide het boven zijn hoofd als
de meest geoefende soldaat, en wierp zich met zijn geweldig strijdros
ten tweede male op de Moorsche gelederen; en terwijl hij verwoed om
zich heensloeg, wondde of doodde hij met elken slag een Moor. Maar
de vijand omsingelde hem, en het zou slecht zijn afgeloopen met den
vechtenden Bisschop, als niet de Cid, die met de oprechte bewondering
die den strijder gevoelt voor de daden van een ander moedig man,
diens dapperheid had gadegeslagen, zijn eigen strijd had gestaakt,
Babieca de sporen had gegeven, en zich in het heetst van het gevecht
had gestort. Bij dezen vreeselijken aanval weken de lichtgewapende
Mooren angstig terug. Ten tweede male draafde hij op hen in, brak
door hunne gelederen als een orkaan, en zaaide dood en verderf om zich
heen. De Mooren wankelden, hunne troepen werden uiteengeslagen en zij
vluchtten in allerijl. Het geheele leger van den Cid viel toen op hen
aan; met al het voetvolk en paardenvolk stormden zij het Moorsche kamp
binnen, verbraken de koorden der tenten, en wierpen de schitterende
Oostersche paviljoens omver, waarin de Saracenen gehuisd hadden.
Zóó stormt in het vijandlijk kamp de Spaansche ruiterschaar,
En door den schrik verlamd, staan Koning Bucars mannen daar.
Het afgehouwen, bloedend hoofd, den arm van 't lijf gekapt,
Verbrijzeld liggen zij in 't zand, door paardenhoef vertrapt.
»Halt Koning Bucar!« roept de Cid; »tot mij kwaamt ge over zee;
Gij zocht mij in deez' fellen strijd!... aan mij is 't woord
van vree.«
»Als in uw zwaard die vrede huist, en in uw steigrend ros,
Begeer ik uwen vrede niet!...« Hij laat de teugels los.
En als de wind stuift hij vooruit, recht naar de open zee,
En naast hem, op zijn edel ros, draaft Spanje's ridder mee.
Colado schittert in zijn hand, hij grijpt den Koning aan:
»Kies!« wilt gij sterven door het zwaard, of in de golven gaan?«
Het scherpe zwaard doorklieft den Moor, in stroomen vloeit
zijn bloed.
Moog' zóó verdwijnen van de aard' het gansche Moorsch gebroed!
-- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
't Was op deez' glorierijken dag, dat Spanje's ridder won
Dat kostbaar stuk als oorlogsbuit: zijn edel zwaard Tizon.
Toen de Cid uit den strijd terugkeerde, zag hij de Infantes van
Carrión, en begroette hen: »Nu zij zich als dapperen gedragen,
zullen zij ook door de dapperen goed worden ontvangen,« zeide hij
ernstig tegen Alvarez Fannez. De trotsche en domme prinsen waren zeer
vertoornd, toen zij deze uitlating toevallig hoorden, en de zucht
naar wraak ontwaakte opnieuw in hunne harten. »Wij zullen den Cid in
den steek laten en naar Carrión terugkeeren,« zeiden zij, »wij worden
door deze roovers en hun leider bespot en beleedigd. Op weg naar huis
zullen wij wel gelegenheid hebben, ons te wreken op zijne dochters.«
Bezield met dit laffe voornemen, vroegen zij den Cid glimlachend
verlof tot vertrekken. Deze gaf met een bedroefd hart zijn toestemming,
overlaadde hen met geschenken, waaronder de beroemde zwaarden Colado en
Tizon, die hijzelf op de Mooren veroverd had, en droeg zijn neef, Felix
Muñoz, op, de Infantes en zijne dochters naar Carrión te begeleiden.