De Cid wendde zich af van Huesca en Montalvan en voerde zijne troepen
naar den zeekant. Toen de Mooren van Valencia bemerkten, dat hij
zich in Oostelijke richting voortbewoog, ontstelden zij zeer, en zij
besloten hem zulk een ontzaglijk leger tegemoet te zenden, dat hij
onmogelijk zou kunnen voortdringen. Maar hij weerde zijne aanvallers
met zulk een woede af, dat zij het niet waagden, hem langer tegen
te houden. Drie jaren lang voerde de Cid oorlog in deze streek en
ontelbaar waren zijne overwinningen. Hij en zijne ridders vestigden
zich in dit land als koningen. Zij maaiden het koorn, en zij aten het
brood van het overwonnen volk, zoodat er hongersnood uitbrak onder
de Mooren, die bij duizenden stierven.
Toen zond de Cid afgezanten naar Castilië en Aragon met de boodschap,
dat alle Christenen, die zich aan zijne heerschappij wilden
onderwerpen, bescherming zouden genieten. Op dit bericht schaarden
duizenden zich onder zijn vaandel, en zijn leger werd hierdoor zóó
versterkt, dat hij in staat was, op te trekken tegen Valencia, de
Moorsche hoofdstad van deze landstreek. Hij stelde zich met zijn
geheele leger op voor de poorten der stad en belegerde haar. Negen
maanden lang omsingelde hij de stad en in de tiende maand openden de
inwoners van Valencia de poorten, en gaven zij zich over. Groot was
de buit aan goud en zilver en kostbare stoffen, zoodat alleen het
aandeel van den Cid een waarde vertegenwoordigde van dertigduizend
Marken. Zijn macht nam dientengevolge zóó toe, dat niet alleen zijn
eigen volgelingen, maar ook de Mooren van Oost-Spanje, hem begonnen
te beschouwen als hun rechtmatigen Koning.
Die steeds groeiende macht verontrustte den Moorschen Koning
van Sevilla zeer, en hij besloot zijn geheele legermacht te
mobiliseeren. Met een leger van dertigduizend man trok hij op tegen
Valencia. Maar de Cid ontmoette hem aan de oevers van de Huerta en
versloeg hem zóó volkomen, dat hij na dien nooit meer in staat was
den Campeador te bestoken.
Toen ontwaakte in het hart van den Cid de hoop, dat de Koning hem weer
in genade zou aannemen en hem zijn vertrouwen weer zou schenken. En
hij zwoer een duren eed, dat hij uit liefde voor Alfonso nooit meer
zijn baard zou laten scheren. »Zoo,« zeide hij, »zal mijn baard beroemd
worden onder Mooren en Christenen.« Hij zond Alvarez Fañez ten tweede
male naar het Hof, met een geschenk van honderd schitterend opgetuigde
paarden van het zuiverst Arabische bloed, met de bede, dat hij zijn
vrouw, Donna Ximena, en hunne dochters, zou mogen brengen naar zijne
goederen, die hij zich met het zwaard veroverd had.
Intusschen was uit het Oosten een monnik naar Valencia gekomen,
Bisschop Don Jerome, die in verre landen van den moed van den Cid had
gehoord, en ernaar verlangde, tegen de ongeloovigen te strijden. De
Cid was zeer met hem ingenomen en stichtte het bisdom Valencia voor
den dapperen Christen, wiens eenige gedachte was, het Christendom te
verspreiden en de Saracenen uit te roeien.
Inmiddels reisde Alvarez Fañez naar het Hof en werd tot den Koning
toegelaten. Deze was verrukt over de verhalen, die Fañez hem deed over
de krijgsverrichtingen van den Campeador, die de Mooren had bevochten
in vijf groote veldslagen, hunne landen had onderworpen aan de Kroon
van Castilië, en een bisdom had gesticht midden in het gebied der
heidenen, zoodat hij hem gaarne wilde toestaan, Donna Ximena en de
jonkvrouwen Elvira en Sol naar Valencia te brengen. Bij het hooren
van dit bericht, was Graaf Garcia Ordoñez van de Leonesische partij,
die indertijd de aanleiding was geweest tot de verbanning van den Cid,
en die hem uit den grond van zijn hart haatte, zeer verstoord. De
twee Infantes of Prinsen van Carrión echter, die de groote macht en
den groeienden invloed van den Cid zagen, besloten, diens dochters
ten huwelijk te vragen aan den Koning, maar zij verzwegen dit plan
voorloopig.
Het tijdstip, waarop de Cid zijn schuld zou moeten aflossen bij de
Joden Raquel en Vidas was reeds lang verstreken; en toen zij hoorden,
dat Alvarez Fañez zich aan het Hof bevond, begaven zij zich daarheen,
en zij verzochten hem, de geleende som terug te betalen. Alvarez Fañez
verzekerde hun, dat alles zou geschieden, zooals de Cid beloofd had,
en dat slechts het voortdurend oorlogvoeren zijn meester belet had,
aan zijne verplichtingen tegenover hen te voldoen. Zij waren volkomen
bevredigd door deze verklaring, en zoo groot was hun vertrouwen in
den Cid geweest, dat zij de kisten nooit hadden geopend, om den aard
te onderzoeken van het onderpand, dat hij hun gegeven had.