De Graaf van Barcelona echter, Raymond Berenger, een trotsch en
aanmatigend heer, beschouwde de aanwezigheid van den Cid in een gebied,
zóó dicht bij het zijne gelegen, als een persoonlijke beleediging, en
in groote woede verzamelde hij al zijne manschappen, Mooren zoowel als
Christenen, en maakte zich op, om den Cid te verdrijven uit de streek,
die hij schatplichtig had gemaakt. Toen de Campeador hoorde, dat dit
leger in aantocht was, zond hij een afgezant naar Graaf Raymond, om
hem de verzekering te geven van zijne vredelievende bedoelingen ten
opzichte van hem. Maar de Graaf vond, dat zijn persoonlijke waardigheid
beleedigd was, en hij weigerde den boodschapper te ontvangen.
Toen de Cid het leger van Raymond zag optrekken naar de heuvelen van
Mont'real, wist hij, dat zijne vredesvoorstellen vergeefsch waren
geweest; hij verzamelde zijne troepen voor het woedende gevecht, dat
hij wist, dat volgen moest, en wachtte den vijand af op de vlakte, die
de gunstigste voorwaarden bood voor zijne ruiters. Het lichtgewapende
Moorsche paardevolk van Berenger stormde tot den aanval, maar werd
zonder eenige moeite door de Castilianen teruggeslagen. De Frankische
krijgslieden van den Graaf, een troep flinke en oorlogszuchtige
huurlingen, stormden toen den heuvel af, en vielen de soldaten van den
Cid aan. Het samentreffen was geweldig, maar de strijd was kort, want
de ridders van Castilië, geschoold in een voortdurend oorlogvoeren,
hadden de Frankische ruiters spoedig verslagen. De Cid zelf viel Graaf
Berenger aan en dwong hem, zijn beroemd zwaard Colada af te staan,
dat zulk een belangrijke rol heeft gespeeld in de verdere oorlogsdaden
van den Campeador. Een strijdzwaard, waarvan de overlevering vertelt,
dat het dit beroemde wapen is, het Spaansche Excalibur, wordt nog
getoond in de Armeria te Madrid, en alle geloovige bewonderaars van
ridderverhalen zijn er van overtuigd, dat dit het zwaard is, dat de
Campeador op den trotschen Berenger veroverde; zelfs de zekerheid,
dat het gevest uit de vijftiende eeuw dateert, brengt dit geloof niet
aan 't wankelen.
De troepen van den Cid waren buitengewoon verheugd over de zegepraal
zoowel als over den buit en er werd een vorstelijk feest aangericht,
om de blijde gebeurtenis te vieren.
De Cid noodigde den overwonnen Raymond Berenger op hoffelijke wijze
uit zijn gast te zijn bij dit feestmaal, maar deze antwoordde uit
de hoogte, dat zijn gevangenneming door vogelvrijen, hem de eetlust
benomen had. Geprikkeld door deze onbeschoftheid, liet de Cid hem
weten, dat hij zijn land niet zou terugzien, voordat hij het brood
met hem zou hebben gebroken en een beker wijn met hem zou hebben
gedronken. Gedurende drie volle dagen weigerde de Graaf ieder voedsel,
en op den derden dag deelde de Cid hem mede, dat hij onmiddellijk in
vrijheid zou worden gesteld, wanneer hij zijn vasten zou opgeven. Dit
was teveel voor den trotschen Berenger, wiens honger nu grooter bleek
te zijn dan zijn tegenstand. »Groote Goden!« roept de dichter uit,
»met welk een gulzigheid at hij! Hij bewoog zijne handen zoo vlug,
dat de Cid de bewegingen niet kon volgen.« Toen gaf de Cid hem de
vrijheid en zij scheidden als goede vrienden.
»Stijg op, rijd heen, mijn eedle Graaf, als vrij en moedig Frank,
Voor allen buit, dien gij mij liet, brengt u mijn harte dank.
En komt gij met trompetgeschal, opdat de krijgskans keer',
Dan wacht ik u, verheugd van ziel, hoor ik die klanken weer.«
»Neen Roderick, de krijg is uit, en tusschen ons is 't vree:
Geen strijd meer tusschen u en mij, het zwaard blijv' in de schee.«
Toen reed hij heen; maar kort daarna wendde hij steels 't gelaat
En keek hij angstig achterom, als vreesde hij verraad;
Maar de gedachte aan zulk een daad was nimmer opgeweld,
In 't harte van den trouwen Cid, dien nooit volprezen held!