Eindelijk slaagden de Mooren erin, den watertoevoer van Alcocer af
te snijden. De mondvoorraad verminderde ook, en de Cid begreep, dat
zulk een wanhopige toestand een gewaagd besluit noodig maakte. Alvarez
Fannez, die altijd naar het gevecht hunkerde, zooals een strijdros,
wanneer het de krijgstrompet hoort, drong aan op een krachtigen uitval,
en de Cid, die den moed van zijne mannen kende, stemde toe. Eerst zond
hij alle Mooren buiten de stad en inspecteerde de versterkingen. Hij
liet slechts twee mannen achter om de poort te bewaken, stelde zijne
troepen op, en zij verlieten Alcocer in gesloten rijen en in volkomen
slagorde. En hier moeten wij weder het woord laten aan den dichter.
Hoera! daar rijdt de woeste Moor, en zwaait het kromme zwaard,
Hoor 't schetterend trompetgeschal en 't dreunen van de aard!
Twee vaandels heffen zij omhoog, met trotsch en woest gebaar,
En om elk vaandel legert zich een zwarte heidenschaar;
Als golven van een woeste zee, zoo wast de vijand aan,
En denkt de Christen Ridderschap met wreede hand te slaan.
»Houdt stand! blijft in het zadel nu, gij ridders,« roept de Cid,
»En sluit de rijen, want de aard' zag nog zoo'n aanval niet.«
Maar 't vurig hart van Bermuez sprong op bij 't tromgeluid:
»Hoe? wachten tot de vijand komt? Dat nooit!« zoo riep hij uit.
»Dit trotsche vaandel hef ik hoog; Op! volgt mij in den strijd!
Op, Ridders, tegen 't heidendom, voor Spanje en Christenheid!«
»Blijf kameraad,« zoo sprak de Cid, maar Pedro schudde 't hoofd,
En sprak: »Hij volg' mij trouw, die in de heil'ge zaak gelooft.«
Fier hief de ridder zich in 't zaâl, en liet de teugels los,
De sporen drukte in de flank hij van zijn edel ros.
En als een schip, dat golven klieft en schuim opspatten doet,
Zoo wierp de held zich in die zee, den Saracenenvloed;
En onbewogen als een rots, die in de branding staat,
Terwijl de woeste golf zich op haar borst te pletter slaat,
Zoo hield, terwijl het heidensch tuig zijn slagen dalen doet
Op helm en schild, de ridder stand met ongebroken moed.
»Ter hulpe!« roept de eedle Cid, »op! voor het heilig kruis!
Oud Castiliaansche Ridderschap, verdelg het Moorsch gespuis!«
Zooals de jachthond voorwaarts stuift, zijn keten losgemaakt,
Zooals de valk schiet naar omhoog, als men zijn kluisters slaakt,
Nòg feller dan de vurigheid van 't ongebreideld ros,
Zoo barst de woede van Castille op den vijand los.
»Verzamelt U, gij Ridderschap, en valt den heiden aan,
En volgt den strijder van Bivar, die nooit nog werd weerstaan!«
Driehonderd lansen heft men hoog...., zij dalen op bevel,
Driehonderd heid'nen liggen neer, een vlug en dood'lijk spel,
De lansen rijzen weer omhoog, de lansen dalen weer;
Ontelb're schilden liggen dan in 't zand versplinterd neer.
Het sneeuwwit vaandel is gedrenkt in 't bloed nu van den Moor,
Het onbeheerde krijgsros draaft de omwoelde vlakte door.
Gelijk de bliksem 't luchtruim klieft, zoo schittert in de hand
Van Roderick het scherpe zwaard; en mèt hem houden stand
Alvarez Fannez, Gustior, en enk'le trouwen meer.
Maar ziet, o bange schrik, de Saracenen velden neer
Het strijdros van Alvar Fannez, den grooten, eedlen held!
Maar haastig komt de Cid Campeador ter hulp gesneld,
Ziet, hoe de dappere Fannez bedreigd wordt door den dood,
Doordat een emir op zijn ros den held geen uitweg bood.
Dan grijpt de onverschrokken Cid het zwaard met vaste hand,
Hij zwaait het met een forschen greep..., de emir ligt in 't zand.
»Bestijg zijn vurig strijdros nu, stijg op, nog dreigt gevaar,
De phalanx van den vijand staat nog ongebroken daar.«
Fannez werpt in het zadel zich, en zaait verderf en dood,
Waarheen zijn ros hem draagt, daar kleurt het bloed de aarde rood.
De Cid rent op den veldheer toe, doorklieft zijn schild met kracht,
De Moorsche veldheer neemt de vlucht; den ridders is de macht.
De moedige Antolinea valt dan op Galve aan;
Hij en Fariz, zij wenden zich, zonder hun man te staan.
Zij trokken op ten zegepraal, zij vluchtten voor den smaad,
Hun helm gespleten door het zwaard, en met bebloed gelaat.
Sinds dichters zongen van een slag en roemden eedlen strijd,
Werd zulk een slagveld niet geroemd, nog tot op dezen tijd.
Geen waardiger en trotscher strijd bezong een heldenlied:
Nog kronen lauweren uw hoofd, o held, gij eedle Cid!
Het was een woedend en bloedig gevecht. De Moorsche nederlaag was
volkomen, en de kleine Castiliaansche troep had slechts vijftien man
verloren. Vijfhonderd, rijk opgetuigde Arabische paarden, elk met een
schitterend zwaard aan den zadelknop, vielen den Cid in handen. Hij
hield het vijfde gedeelte daarvan voor zichzelf, zooals dat het gebruik
was voor bevelhebbers van dergelijke vrije troepen. Maar daar hij zeer
verlangend was, vrede te sluiten met Koning Alfonso van Castilië,
zond hij Alvarez Fañez als zijn vertegenwoordiger naar het Hof met
dertig van deze kostbaar getuigde en gezadelde paarden.
Maar de Mooren waren, niettegenstaande hun nederlaag, niet van zins,
den Cid vrij over hunne grenzen te laten trekken, en daar de Cid zag,
dat hij niet lang bij machte zou zijn Alcocer in handen te houden,
onderhandelde hij met de Saracenen van de naburige steden over den
losprijs van Alcocer. Zij kwamen overeen, dat hij de plaats voor
drieduizend Marken in goud en zilver zou verlaten, en zoo trok de
Campeador verder Zuidwaarts, en nam stelling op een heuvel, ten Noorden
van het district Mont'real. Hij maakte alle Moorsche steden in den
omtrek schatplichtig, en bleef volle vijftien weken in zijn nieuw kamp.
Intusschen was Alvarez Fañez naar het Hof gereisd, en had den Koning
de dertig prachtige paarden, die zij veroverd hadden, ten geschenke
aangeboden. »Nog is het geen tijd om den Cid weder in genade aan te
nemen«, zeide Alfonso; »maar daar deze paarden van de ongeloovigen
komen, heb ik geen bezwaar ze aan te nemen. Ik schenk u vergiffenis,
Alvarez Fañez, en hef uw ballingschap op. Wat den Cid betreft, ik kan
niet anders zeggen, dan dat, wanneer een dapper strijder zich onder
zijn banier wil scharen, ik hem dat niet zal beletten.