Nadat zij te Castijon gerust hadden, reden de Cid en zijne volgelingen
door de Vallei van Henares langs Alhamia naar Bubierca en Ateca, en
daar hij in een onbekend land was, omringd door een menigte vijanden,
nam hij stelling op een heuveltop bij de sterke Saraceensche stad
Alcocer, die hij belegerde. Maar de stad was goed bewaakt en hij
zag, dat, wanneer hij door de versterking wilde heendringen, het door
krijgslist moest gebeuren en niet alleen door vechten. Daarom riep hij
op een morgen, nadat hij gedurende vijftien weken Alcocer belegerd had,
zijne manschappen terug, alsof hij zijne nuttelooze pogingen opgaf,
en hij liet maar één tent achter.
Toen de Mooren zijn terugtocht bemerkten, juichten zij, en in hunne
begeerte om te zien welken buit zij in die eenzame tent zouden vinden,
liepen zij in alle haast de stad uit, en lieten de poorten open en
zonder bewaking. Toen de Cid zag, dat de Mooren een groot eind van de
stad verwijderd waren, gaf hij zijne manschappen bevel, terug te keeren
en het opgewonden Saraceensche gepeupel te overvallen. Het kostte
hem niet veel overredingskracht, zijne manschappen daartoe over te
halen. De Castiliaansche ridders wierpen zich met hooggeheven lansen
op de dichte menigte, en richtten een vreeselijke slachting aan. De
ongelukkige Mooren, die zoo onverwachts overvallen werden, vluchtten
in alle richtingen en spoedig was de vlakte overdekt met in het wit
gekleede lijken. Intusschen draafde de Cid met enkele vertrouwde
volgelingen naar de poorten en bezette ze, zoodat de Spanjaarden
Alcocer in triomf binnentrokken. Zooals het zijn gewoonte was,
behandelde de Cid de Mooren, die zich goedschiks aan hem overgaven,
barmhartig, want, zeide hij, wij kunnen hen niet verkoopen, en wij
zullen er niets bij winnen, als wij hun de hoofden afsnijden. Laat
ons liever hen tot onze dienaren maken.
De Saracenen uit de naburige steden Ateca en Zerrel waren zeer
verschrikt door de wijze, waarop Alcocer ingenomen was en zij
berichtten den Moorschen Koning van Valencia, dat een zekere Roderigo
Diaz uit Bivar, een vogelvrije, hun land was binnengevallen om er te
plunderen, en reeds de sterke stad Alcocer had ingenomen. Toen Koning
Tamin van Valencia deze tijding hoorde, was hij zeer vertoornd en zond
een leger van drieduizend goed uitgeruste strijders den Campeador
tegemoet. In zijn woede gaf hij zijne officieren het bevel, den
Spaanschen verrader gevangen te nemen en hem levend bij hem te brengen,
opdat hij zijn gerechten straf zou ondergaan. De Cid wist niets van de
komst van deze troepen, en toen zijne schildwachten op zekeren morgen
op de muren van Alcocer heen en weer liepen, waren zij verbaasd de
geheele omgeving overstroomd te zien door Moorsche soldaten, die op
hunne vlugge paardjes heen en weer draafden en hunne kromme zwaarden
dreigend zwaaiden. Zijne buitenposten brachten spoedig het bericht,
dat zij omsingeld waren, en zijne ridders en soldaten smeekten hem,
ten strijde te mogen trekken tegen de ongeloovigen. Maar de Cid was
bekend met de Moorsche krijgskunst en hij weigerde het verzoek in te
willigen. Dagen lang paradeerde de vijand om de muren van Alcocer. Maar
de Cid wist te goed, dat het dwaasheid zou zijn, met zijne driehonderd
man een leger van drieduizend goed uitgeruste soldaten aan te vallen,
en hij wachtte dus zijn tijd af.