Toen zij vertrokken waren, brak de Cid zijn kamp op, en galoppeerde
door den nacht naar het klooster San Pedro de Cardeña, waar zijn vrouw,
Donna Ximena, met zijn beide jeugdige dochters vertoefden. Hij vond
haar verzonken in gebed voor zijn welzijn, en zij ontvingen hem met
de hartelijkste betuigingen van vreugde. Hij nam den Abt ter zijde en
deelde hem mede, dat hij op het punt stond op avontuur uit te trekken
naar het land van de Mooren, en hij overhandigde hem een som, die
toereikend was voor het onderhoud van Donna Ximena en hare dochters
tot aan zijn terugkomst en hij voegde daarbij nog een milde gift ten
behoeve van het klooster.
Maar reeds was het bericht van de verbanning van den Cid door het
geheele land verspreid en zóó groot was de roem van zijn dapperheid,
dat ridders van heinde en ver zich onder zijne banieren schaarden. Toen
hij den voet in den stijgbeugel plaatste bij den brug van Arlanzon,
was hij omringd door honderdvijftig ridders, die hem wenschten te
volgen op zijn avontuurlijke tocht. Het afscheid van zijn vrouw en
dochters is treffend geteekend:
Scherp als de pijn van nagels, die men afrukt van de hand,
Zoo voelde hij zijn droefenis, toen hij verliet zijn land.
En telkens wendde hij den blik, het hart vervuld van rouw,
Bij d'aanblik van zijn dierbaarst goed: zijn kinderen en vrouw.
Totdat Minaya eind'lijk riep, zijn metgezel en vriend:
»De droefheid is geen passend kleed voor wie de wapens dient,
Gij, die geboren zijt, mijn held, in een gelukkig uur,
Trek vroolijk en verheugd van ziel op zoek naar avontuur.
Wat heden gij als smart gevoelt, is morgen zaligheid!
Het leed verdooft noch krijgstrompet, noch vreugde van den strijd!«
Toen gaven zij hunne paarden de sporen en galoppeerden naar de grenzen
van Christelijk Spanje en staken op vlotten de rivier Duero over,
waarna zij op Moorschen bodem stonden. Ver in het Westen konden zij de
sierlijke Minaretten van de Saraceensche stad Ahilon zien, glinsterende
in de middagzon, een zinnebeeld van de rijke schat, die zij zouden
veroveren in het land der heidenen. In Higeruela schaarden zich nog
meer dappere strijders onder de banieren van den Cid, grensbewoners,
voor wie een rooftocht een feest was, en het breken van speren de
schoonste muziek. Toen de Cid dien nacht sliep, droomde hij, dat
de Aartsengel Gabriel hem verscheen, en tot hem zeide: »Stijg op,
o Cid Campeador, stijg op en rijd heen; uw zaak is rechtvaardig;
zoo lang gij leeft, zal alles, wat gij onderneemt, u gelukken.«
Met driehonderd volgelingen reed de Cid het land der Mooren binnen. Hij
lag in hinderlaag, terwijl Alvarez Fañez en andere ridders een
rooftocht ondernamen naar Alcalá. In hun afwezigheid bemerkte de
Cid, dat de mannen van Castijon, een naburige Moorsche stad, de
plaats verlieten om op het land te gaan werken, zonder de poorten te
sluiten. Hij en zijne mannen deden een aanval op de poorten, doodden
de weinige heidenen, die ze bewaakten, en namen de stad zonder veel
strijd. Zijne mannen waren zeer verheugd over de schat van goud en
zilver, die zij in de eigenaardige Moorsche huizen vonden. Maar zij
waren barmhartig tegenover de inwoners, die zij meer tot dienaren
dan tot slaven maakten.