BEGIN VAN HET GEDICHT.

Het begin van de Poema del Cid, zooals wij dat bezitten, is treffend

en dramatisch genoeg, om ons te troosten over het verlies van het

oorspronkelijke begin. De groote bevelhebber, die tengevolge van het

verraad van de Leonsche partij aan het Hof van Koning Alfonso, door een

koninklijk bevel verbannen is uit het huis van zijn vader (c. 1088),

rijdt ontroostbaar heen uit de verwoeste poorten van zijn kasteel. Een

vrij nauwkeurige vertaling van dit treffende gedeelte volgt hier:

Hij wendt den blik nog eens naar 't huis, en tranen stroomen neer,

De plek, die eens hem schuilplaats bood, hij kent haar nauwlijks

meer.

Verwoest de poorten van het slot, de wind blaast door de hal,

Geen kleeden dekken meer den vloer, geen paard staat in den stal.

Geen valk of havik vliegt hem toe, en zet zich op zijn hand;

Een ridderlijke bedelaar...., zóó trekt hij uit zijn land,

Hij zucht, zooals een strijder zucht: »U Heer, zij lof en prijs!

Mij en den mijnen schonkt Gij reeds zoo menig gunstbewijs.

De lastertong, de leugentaal, die sloegen mij terneer,

Maar éénmaal komt de dag, dat Gij mij wreken zult, o Heer!«

Een raaf vloog hem op zijde, toen hij reed uit Bivar's poort.

Toen hij te Burgos ruste zocht, vloog nog de vogel voort.

En bij dit somber teeken, verduisterde zijn blik:

»Alvarez Fannez, wees gegroet, gij banneling als ik!«

Met zijn getrouwen, zestig man, zoo reed hij door de straat;

Vanuit de vensters zag hem na zoo menig droef gelaat.

»Daar gaat,« zoo zuchtte menig hart, »een goed en trouw vasal,

Die door zijn Koning werd miskend, door laster kwam ten val.

En zeker had hem menig dak beschut dien droeven nacht,

Als Burgos' volk niet had gevreesd des Konings sterke macht;

Want een decreet, van zegels zwaar, ging door het gansche land:

»Hij, die den Cid bescherming geeft, diens huis wordt platgebrand.«

Toen dus de droeve stoet reed voort, toen wendde men den blik....

Met zijn getrouwen reed hij heen, de strijder Roderick.

Bij 't huis, waar hij te wonen placht, daar sprong hij van zijn ros:

»Uw meester staat hier voor de poort, maak slot en grendels los!«

Maar uit een venster sprak de maagd, die 't slot voor hem bewaart:

»O Heer, die eens in beter tijd hanteerde 't roemrijk zwaard,

Een brief des Konings kwam naar hier, gezegeld door zijn hand,

Die U en Uw getrouwen bant voor goed uit 't Spaansche land.

Wie onzer, zij het slechts één nacht, een schuilplaats U mocht biên,

Die is veroordeeld, en hij zal nooit meer het zonlicht zien.

Ga dan, gij strijder voor het recht, en Gode sta U bij;

Voor U geen rust in 't Vaderland, want gij zijt vogelvrij.

Daar de Cid en zijne getrouwen binnen de stad geen plaats konden

vinden om hun hoofd neer te leggen, reden zij mistroostig naar

de vlakte van Glera, ten Oosten van Burgos, waar zij hunne tenten

opsloegen aan de oevers van de rivier Arlanzon. Daar voegde Martinez

Antolinez zich bij hen, één van de vroegere vasallen van den Cid,

die voedsel en wijn bracht voor hem en zijne volgelingen, en hem

trachtte te troosten. De Cid bezat geen maravedi en wist niet,

hoe hij zijne mannen van voedsel en wapenen moest voorzien. Maar

hij en Antolinez bedachten een plan, waardoor zij hoopten, zich het

noodige voor den krijg te verschaffen. Zij namen twee groote kisten,

bedekten deze met rood leder, en versierden ze met vergulde spijkers,

zoodat zij er zeer kostbaar uitzagen. Toen vulden zij de kisten met

rivierzand, en sloten ze stevig dicht.

Legenden en Romances van Spanje · 第 35 / 165 题