De persoonlijkheid van den schrijver van de Poema del Cid zal
waarschijnlijk wel eeuwig onbekend blijven. Misschien was het een
priester, zooals Ormsby veronderstelt, maar ik geloof eerder, dat het
een beroeps-trovador was. In Frankrijk waren de trouvères en niet de
geestelijken de scheppers van dergelijke gedichten, waarom zouden de
trovadores het dan niet in Spanje zijn? [18]
Dat de schrijver leefde in een tijd, niet lang na dien, waarin de
gebeurtenissen die hij verheerlijkte plaats grepen, is duidelijk;
waarschijnlijk ongeveer een halve eeuw nadat de Cid voor de laatste
maal zijn beroemd zwaard Colada uit de scheede trok. Op grond van
verschillende plaatselijke toespelingen, die in het gedicht voorkomen,
heeft men uitgemaakt, dat hij geboortig was uit de Valle de Arbujuelo,
en een monnik was uit het klooster Cardeña, in de nabijheid van Burgos;
maar deze veronderstellingen berusten slechts op wat men uit het
gedicht heeft opgemaakt, en zijn niet veel waarschijnlijker dan het
vermoeden, dat hij een Asturiër zou zijn, omdat hij den tweeklank
ue niet gebruikt. Wij hebben echter goede redenen, aan te nemen,
dat hij in elk geval een Castiliaan was, en wel voornamelijk om zijn
heftigen politieken afkeer van het koninkrijk Leon, en alles, wat
daarbij behoorde. Dat Pedro de Abt slechts een copiïst was, blijkt
duidelijk uit de mishandeling van het manuscript, want ofschoon wij
hem het behoud van de Poema te danken hebben, wordt onze dankbaarheid
wel zeer getemperd door onze ontstemming over de wijze, waarop hij
zijn taak volbracht. Want de copie staat vol noodelooze herhalingen,
hij schrijft dikwijls twee regels door elkaar, en plaatst zoo nu en
dan zelfs den inhoud van den éénen regel op den anderen, in zijn haast,
om van zijn werk af te zijn.