HOOFDSTUK II. DE »CANTARES DE GESTA« EN DE »POEMA DEL CID«.

Als in de hooge koningszaal

De ridders en jonkvrouwen bij het maal

Een kostelijk lied verlangen,

Dan komt des minstreels schoone tijd,

Hij zingt van ridders en woesten strijd

En zijn teedere minnezangen.

Wij hebben reeds gesproken over den Franschen oorsprong van de Cantares

de Gesta; hun naam reeds verraadt hunne Gallische afkomst. Maar

wij moeten nog eens duidelijk in het licht stellen, dat de Cantares

spoedig hun Noordelijk gewaad hebben verwisseld voor de Castiliaansche

kleederdracht. Sommige landen bezitten zulk een uitgesproken eigen

karakter, zulk een gemakkelijkheid, het eigen stempel te drukken

op wat hen omringt, dat alles, stoffelijk zoowel als geestelijk,

wat over hunne grenzen binnenkomt, van uiterlijk verandert en wordt

omgetooverd, zoodat het in korten tijd zich volkomen heeft aangepast

aan zijne nieuwe omgeving. Van deze toovergave schijnen Spanje, Egypte

en Amerika het geheim te bezitten. Maar verander het uiterlijk van

de Fransche Chansons zooveel gij wilt, voor den kenner van dezen

dichtvorm zal hun oorsprong nooit twijfelachtig zijn. Ook kon de

aard van de scheppende en uitvoerende kunstenaars op dit gebied niet

voorgoed worden veranderd, zoodat wij niet verwonderd behoeven te zijn,

wanneer wij in Spanje de Fransche trouvères en jongleurs terugvinden

als trovadores en juglares. De trovador was de dichter, de schepper;

de juglar was slechts de zanger, de voordrager, ofschoon de grenslijn

tusschen beiden niet scherp getrokken was. Sommige bijzonder begaafde

juglares waren ook de makers van de cantares, die zij zongen, terwijl

een onbeteekenende trovador soms genoodzaakt was, de liederen van

anderen te zingen. Instrumentalisten of begeleiders waren bekend

onder den naam van juglares de péñola, ter onderscheiding van de

voordragers of zangers, de juglares de boca.

Legenden en Romances van Spanje · 第 27 / 165 题