Als in de hooge koningszaal
De ridders en jonkvrouwen bij het maal
Een kostelijk lied verlangen,
Dan komt des minstreels schoone tijd,
Hij zingt van ridders en woesten strijd
En zijn teedere minnezangen.
Wij hebben reeds gesproken over den Franschen oorsprong van de Cantares
de Gesta; hun naam reeds verraadt hunne Gallische afkomst. Maar
wij moeten nog eens duidelijk in het licht stellen, dat de Cantares
spoedig hun Noordelijk gewaad hebben verwisseld voor de Castiliaansche
kleederdracht. Sommige landen bezitten zulk een uitgesproken eigen
karakter, zulk een gemakkelijkheid, het eigen stempel te drukken
op wat hen omringt, dat alles, stoffelijk zoowel als geestelijk,
wat over hunne grenzen binnenkomt, van uiterlijk verandert en wordt
omgetooverd, zoodat het in korten tijd zich volkomen heeft aangepast
aan zijne nieuwe omgeving. Van deze toovergave schijnen Spanje, Egypte
en Amerika het geheim te bezitten. Maar verander het uiterlijk van
de Fransche Chansons zooveel gij wilt, voor den kenner van dezen
dichtvorm zal hun oorsprong nooit twijfelachtig zijn. Ook kon de
aard van de scheppende en uitvoerende kunstenaars op dit gebied niet
voorgoed worden veranderd, zoodat wij niet verwonderd behoeven te zijn,
wanneer wij in Spanje de Fransche trouvères en jongleurs terugvinden
als trovadores en juglares. De trovador was de dichter, de schepper;
de juglar was slechts de zanger, de voordrager, ofschoon de grenslijn
tusschen beiden niet scherp getrokken was. Sommige bijzonder begaafde
juglares waren ook de makers van de cantares, die zij zongen, terwijl
een onbeteekenende trovador soms genoodzaakt was, de liederen van
anderen te zingen. Instrumentalisten of begeleiders waren bekend
onder den naam van juglares de péñola, ter onderscheiding van de
voordragers of zangers, de juglares de boca.