Het beste type van de Spaansche Romance is dat, waarin de geest van
het wonderbaarlijke vermengd is met den geest van ridderlijkheid. Het
oude Spanje met zijn grootsche opvattingen van eer, zijn fijn gevoel
voor hoffelijkheid en zijn aangeboren fantasie, was als het ware de
smeltkroes, waarin de elementen voor de romance gemengd werden. De
eigenaardigheden van klimaat en omgeving droegen er ruimschoots
toe bij, de sprookjes, waarvan de Spaansche geschiedenis wemelde,
te onderhouden; en bovenal had het Spaansche volk een levendige
belangstelling in de daden der ridders, zooals dat in geen enkel ander
land van Europa het geval was. De Spanjaard droeg de kenteekenen
der ridderlijkheid op waardiger wijze dan de Franschman of de
Engelschman; het was zijn natuurlijk gewaad, en hij droeg het met
een gratie, een ernst en een gevoel voor betamelijkheid, die niet te
overtreffen waren. Wanneer hij ontaardde in een Don Quixote, dan was
dit tengevolge van de groote toewijding, waarmede hij zich aan zijn
ridderleven gegeven had. Hijzelf was de eerste, die er om lachte,
toen hij bemerkte, dat zijn riddermanieren en zijn pantser veranderd
waren, maar zelfs de klank van dien lach was edel, en het boek, dat
dien lach opwekte, heeft minstens zooveel harten voor het romantisme
gewonnen als het ontgoochelde.
De geschiedenis van den Spaanschen strijd is een verhaal van
ridders, van strijders met een bijna bovenmenschelijke eerzucht
en uithoudingsvermogen; van machtige stichters van koninkrijken,
groote hervormers van de wereldkaart, die, gesteund door een handjevol
getrouwen, in Valencia, Mexico, Italië of Arancanië, de fabelachtige
daden van Amadis of Palmerin voorbijstreefden. In latere tijden zond
het ijzerland Castilië oorlogsschepen uit, om zijne banieren over
de onmetelijke zeeën te dragen naar de verst verwijderde gedeelten
der aarde. Wat bewoog hen, te leven en te sterven in het harnas,
omgeven door gevaren, grooter dan de tooverkunsten van kwaadwillige
toovenaars, of de avonturen, die de dolende ridders ontmoetten, die
op zoek waren naar geheimzinnige kasteelen? Wat hield hen staande in
hun leven van voortdurenden strijd, ontbering en doodsgevaar? Kunnen
wij er aan twijfelen, dat de heldenverhalen van hun Vaderland hen als
met tooverkracht bewogen en bezielden, dat, wanneer zij ten strijde
trokken, de verre klanken van het krijgsgeweld der helden uit de oude
romances in hunne ooren schalden, zooals een fanfare uit de trompetten
van herauten bij een tournooi?
En toen wij rustten ons ten strijd,
Toen zong ons hart van zaligheid,
Wij hoorden 't krijgsgetier.
Bij 't denken aan Orlando's smart
Aan Felixmarte's ridderhart
En den dood van Olivier.