De omstandigheid, dat de Arabieren, toen zij nog een onbeschaafd volk
waren, in de woestijn leefden, was niet gunstig voor het bereiken van
een hoogen trap van letterkundige bekwaamheid, maar zij bevorderde
wel de ontwikkeling van hunne aangeboren opmerkingsgave, die hen een
schat van synoniemen deed vinden, waardoor hunne taal zeer verrijkt
werd. De vondst van synoniemen en van mooie en treffende vergelijkingen
moeten beschouwd worden als de eerste voorwaarde voor een bloeiende
dichtkunst, en gedurende een eeuw in het tijdperk der Moorsche
overheersching in het Oosten, zien wij de schitterende dynastie van
de Abbassiden (circa 750) optreden als beschermers van een dichtkunst,
die door de rijke Arabische taal zoo gemakkelijk tot uiting kwam.
Vertellen was altijd een geliefkoosde bezigheid geweest van
de Arabieren in de woestijn, en nu kwam deze edele, ongedwongen
oefening van de fantasie hun goed te pas. Wij kunnen ons geen juiste
voorstelling maken van de snelheid, waarmede de Arabische letterkunde
in dien tijd tot bloei kwam. De dichtkunst, die tegenwoordig geen
»marktwaarde« meer heeft, was toen voor de waarlijk ontwikkelde hoogere
standen een noodzakelijke levensbehoefte, kostbaarder dan de balen
zijde van Damascus, de juweelen van Samarkand, of de reukwerken van
Syrië, waarvan hunne legenden vol zijn, zooals de muren van Aladins
paleis overdekt zijn met tooverachtige edelsteenen. Maar voor de
Arabieren waren woorden inderdaad juweelen. Toen Al-Mamoun, de zoon
van Haroun-al-Raschid, zijne vredesvoorwaarden dicteerde aan den
Griekschen keizer Michael den Stamelaar, was de cijns, dien hij van
zijn overwonnen vijand eischte, een verzameling manuscripten van de
beroemdste Grieksche schrijvers. Een eisch, den heerscher over een
volk van dichters waardig!
Maar het veroverde Spanje was vóór alles de zetel en het middelpunt
van Arabische dichtkunst en wetenschap. Cordova, Granada, Sevilla--ja,
eigenlijk alle steden van het Schiereiland, die door de Saracenen
bezet waren, betwistten elkander den roem van hunne scholen en
onderwijsinrichtingen, hunne bibliotheken en andere centra voor den
geleerde en den kunstenaar.
De zeventig bibliotheken, die in de twaalfde eeuw in Moorsch Spanje
bestonden, maakten Europa, met zijn gebrek aan ontwikkeling, te
schande, en in dien tijd was het veel meer Arabië dan het vervallen
Rome, dat Europa weer nieuwe beschaving bracht. Het Arabisch
werd niet alleen de letterkundige taal, maar ook de spreektaal van
duizenden Spanjaarden, die in het Zuiden onder Moorsche heerschappij
leefden. Zelfs werd in het midden der achtste eeuw de Heilige Schrift
in het Arabisch vertaald voor de talrijke Christenen, die geen andere
taal kenden. De colleges en universiteiten, die door Abderahman
en zijne opvolgers gesticht waren, werden bezocht door een groote
menigte Europeesche geleerden. Zoo was het, behalve de dichtkunst,
ook de kennis en de philosophie van de Saracenen, die van grooten
invloed waren op de geestelijke vorming van Europa. Wanneer wij echter
dieper doordringen in het vraagstuk van deze merkwaardige beschaving,
dan zullen wij ontdekken, dat Europa nog meer te danken heeft aan de
Spaansche Joden dan aan de Mooren zelf.
De vorm van Arabische cultuur, waarin wij voornamelijk belangstellen,
is hare dichtkunst, in verband met den invloed, dien deze gehad heeft
op de Spaansche letterkunde. De dichtkunst van dit zeer begaafde volk,
dat zoo rijk was aan verbeeldingskracht, had op het oogenblik van
hare komst in Spanje zeker wel haar hoogtepunt bereikt. Haar warme
en zinnelijke geest was wel in zeer groote tegenstelling met de meer
stemmige en ingetogen Grieksche en Romeinsche verzen, die door de
Arabieren koud en vormelijk werden genoemd, en niet de moeite waard,
vertaald te worden. Het overtrof alles, wat tot nu toe verschenen
was, in gewaagde en overdreven uitingen, in beeldspraak en teedere
gevoelens. De Arabische dichter stapelde het eene beeld op het
andere. Hij was niet in staat in te zien, dat men door overlading
te kort kan doen aan de schoonheid van iets, dat uit zichzelf reeds
waarlijk schoon is. Verscheidene critici hebben het noodig gevonden,
ons gerust te stellen, wat zijn oordeel en onderscheidingsvermogen
betreft. Maar reeds bij eene oppervlakkige kennismaking met de
Arabische literatuur, zien wij, dat de dichter werd meegesleept door
zijn groote liefde voor het onderwerp, dat hij beschreef. In den
tuin van den Arabischen dichter is elke bloem een juweel, elk stukje
grond een kostbaar Perzisch tapijt, en elk meisje een engel uit het
Paradijs, wier lichamelijke eigenschappen ieder op zichzelf weder het
onderwerp worden van gloeiende dichtregels. Het voortdurende gebruik
van synoniemen en van den overtreffenden trap, de overdrijving in
de uitingen hunner liefde, en het dikwijls geheel ontbreken van een
strekking en van die wijdloopige bespiegelingen, waarin de dichters
van het Westen hunne tijdgenooten geleerd hebben, filosofische
vraagstukken voor zichzelf op te lossen--dat waren de zwakheden van
de Arabische zangers. Zij stelden een korte spreuk in de plaats van
een verhandeling. Zij begrepen niet, dat de dichtkunst niet slechts
vermaak beoogt, maar ook een middel is van groote opvoedkundige waarde.
De waarachtige liefde voor de natuur schijnt den Arabier evenzeer
te hebben ontbroken als den Griek en den Romein. Hij hanteerde zijn
onderwerp met evenveel zorg als een juwelier. Het schilderen van
een lelie was hem niet genoeg; hij polijstte haar, totdat het een
voortbrengsel uit een goudsmidswinkel geworden scheen. Voor hem was
de natuur niet iets, dat verbeterd, maar dat overtroffen moest worden,
een diamantmijn, waaruit elke steen geduldig moest worden geslepen.
Maar het zou onbillijk zijn, de fantastische literatuur der Arabieren
een belangrijke plaats onder de kunstuitingen te ontzeggen. Wij kunnen
het slechts betreuren, dat hun, door verschillende omstandigheden,
de gelegenheid niet werd geboden, hunne gaven in de goede richting te
ontwikkelen. Wanneer wij de geschiedenis lezen der Arabische staten,
met hun hoog ontwikkelde beschaving, hunne druk bezochte academies,
en hunne ver reikende macht, die zich uitstrekte van Centraal-Azië tot
aan de Westelijke havens van de Middellandsche Zee, en wij wenden ons
dan naar de plaatsen, waar dit alles bloeide, dan moet het ons wel
zeer aan verbeeldingskracht ontbreken, wanneer wij niet onder den
indruk komen van het totale verval, waaraan deze streken ten prooi
zijn geworden. Het groote, naijverige en moedige ras, dat deze landen
heeft overwonnen en beheerscht, heeft de volkeren voor zijne poorten
verzameld, en de onbeschaafde bewoners van Europa zetten zich neder aan
zijne voeten, om te luisteren naar zijn tooverachtige verhalen en de
Openbaringen der Wetenschap, die van zijne lippen vloeiden. Het volk,
dat uit de woestijn gekomen was, keerde weer tot de woestijn terug.
Waar ééns, in Djamschids fonkelend paleis
De jonge Houri's dansten bij den klank der luit,
Daar dwaalt de wilde ezel, kind van de woestijn;
En op het graf van Barlaam jaagt de leeuw naar buit.