Toen in het 1e gedeelte van de vijfde eeuw de Visigothen, als
achterhoede van de Vandalen, het Romeinsche Spanje binnentrokken,
bouwden zij niet voort op de overblijfselen van zijne beschaving,
doch zij behielden de gewoonten van hun Noordelijk vaderland, en zij
schijnen gedurende eenige geslachten weinig te zijn beïnvloed door
de Romeinsche cultuur. Ook vond de Latijnsche taal van het volk,
dat zij overwonnen hadden, weinig aanhangers onder hen, ofschoon zij
door hun wonen even buiten de grenzen van het keizerrijk, deze taal
ongetwijfeld kenden.
De bewoners van het Schiereiland waren al even weinig geneigd
afstand te doen van de beschaafde taal, waarin hunne landgenooten
Martialis, Lucanus en Seneca zooveel hadden bijgedragen tot den
roem der Romeinsche letteren. Een militaire alleenheerschappij is
meestal niet bijzonder gelukkig in hare pogingen, een overwonnen volk
hare taal op te dringen, tenzij de overmacht van wapenen gepaard
gaat aan letterkundige bekwaamheid: en de Visigothen, die niet in
staat waren, zich in dit opzicht te meten met de zeer beschaafde
kolonisten van Spanje, kwamen er in den loop der tijden gemakkelijk
toe, de Romeinsche taal tot de hunne te maken. Hunne ongeletterdheid
was echter niet de eenige reden voor het verlies van hunne taal,
want ofschoon zij in militaire bekwaamheden uitblonken boven hunne
tegenstanders, waren zij in getal verreweg de mindere. Zij hadden
bij hun inval in het Romeinsche rijk weinig vrouwen medegebracht,
en waren dus genoodzaakt, vrouwen uit het overwonnen land te huwen,
die hunne kinderen de Romeinsche taal leerden. Het noodzakelijk
verkeer tusschen overwinnaar en overwonnene schiep in den loop der
tijden een potjes-Latijn, dat in zijn verhouding tot het klassiek
Latijn te vergelijken was met het Engelsch van de handeldrijvenden
aan de Stille Zuidzee. [3]
Het gebruik van het Latijn als schrijftaal in dat gedeelte van Spanje,
waar de Castiliaansche taal gesproken werd, was geruimen tijd een
beletsel voor de ontwikkeling van de beschaafde omgangstaal uit het
gebruikelijk dialect. Toch vond deze overgang ten slotte plaats. De
wijze, waarop dit geschiedde, is niet bekend. Maar uit de vastheid
van vorm in de letterkunde van het begin der elfde eeuw, blijkt wel
duidelijk, dat de spreektaal ten minste vóór het tijdperk van den
Moorschen inval tot volmaaktheid was gekomen.
De Saraceensche overwinning, waardoor de eigenlijke bevolking verdreven
werd naar het koude Noordwesten van het land, gaf slechts een kleine
belemmering voor de ontwikkeling van de taal, want door den strijd
tegen andere Romeinsche dialecten, waarover zij als schrijftaal
tenslotte bijna volkomen zegevierde, werd hare woordenschat
aanmerkelijk verrijkt.